| Op de steenweg N721 in Belgisch Limburg ligt het dorpje Opitter. Haar centrum is een bevreemdende plaats tussen de lintbebouwing. Vanuit Bree, na passage van de kerk, lijkt men zo de panden van Brouwerij St. Jozef binnen te rijden. Zij zijn deel van een groter gebouwenblok dat op het plein staat. Stedebouwkundig zijn deze panden het hart van het dorp, vanaf alle invalswegen zijn zij van verre te zien. Ze zijn wat groter dan de omliggende bebouwing, hun functie wijkt opvallend af. De brouwers zelf hadden lange tijd een grote invloed op het sociale, culturele en politieke leven in de Vlaamse dorpen. De gebouwen die zij achterlieten verhalen zodoende over de locale geschiedenis. Alhoewel de panden in slechte bouwkundige staat verkeren hebben zij een grote waarde voor Opitter. Het is de moeite waard ze te behouden. In 1932 werd de steenweg rechtgetrokken. Het verloop langs de pleinwanden verviel ten gunste van de diagonale doorsnijding van het plein. In 2006 stelt het gemeentebestuur voor de steenweg een kleine slinger te geven, zodat de weg niet meer rakelings langs de brouwerij loopt. Daardoor ontstaat een vreemd en gefragmenteerd plein. Bovendien wordt er geen duidelijke uitspraak gedaan over wat hét daadwerkelijk is en welke relatie hét met de omringende bebouwing aangaat. Daarom stel ik voor de weg zijn oude verloop terug te geven waardoor een heldere ruimte ontstaat die duidelijk bij de brouwerij hoort. De nu noodzakelijke nieuwe inrichting van het Itterplein biedt de mogelijkheid een ‘ruimtelijk verhaal’ over de omliggende bebouwing en hun samenhang te vertellen. Het gebouwenblok heeft twee karakters. Het voorste deel bestaat uit vier brouwerijgebouwen waardonder de modernistische brouwerij en het dubbelpand. Het achterste deel uit twee woningen en het voormalige gemeentehuis. Hun schaal en voorkomen sluit wel aan op de dorpsbebouwing. De ruimtelijke karakteristieken van het dorp kristalliseren in het gebouwenblok. Dat leent zich daarom die te versterken. Daarvoor zullen de twee woonhuizen en het brouwershuis, welke door het verleggen van de weg haar betekenis verloren heeft, gesloopt moeten worden. Los van de bestaande kavelstructuur worden daar autonome volumen geplaatst. Het blok transformeert tot een stedelijk weefsel dat veel weg heeft van de middeleeuwse begijnhoven. Het bestaat enerzijds uit het ommuurde met gras begroeide Brouwerijhof, negen woningen in vier nieuwe volumen en het oude gemeentehuis, te bereiken via de openingen tussen de gebouwen en een poort. Anderzijds uit de introverte L-vormige verharde binnenplaats ingesloten door de brouwerijgebouwen en alleen daar dóór te bereiken. De blootgelegde portaalconstructie van het langwerpige bouwsel dat tussen de brouwerij en de woningen in staat wordt een galerij. Daardoor zijn beide delen verbonden en vanaf het plein betreedbaar. De oorsprong van het industriële complex bevindt zich op het Itterplein. Vanaf daar is de fabriek stapsgewijs uitgebreid naar het achterterrein, waar ook de bouwkundige en programmatische nadruk is komen te liggen. Kantoren en ontvangstzaal zijn daardoor ingebouwd, een gedeelte van de gebouwen op het plein is leeg komen te staan. Ik stel daarom voor het kantoor te verhuizen naar de kop van het complex, in een nieuwbouw ter plaatse van het brouwershuis. De ontvangstzaal gaat naar de eerste verdieping van het dubbelpand. Zo ontstaat een heldere opeenvolging; kantoor, ontvangst, brouwerij, nabewerking, distributie. Er worden twee verticale ontsluitingspunten toegevoegd. Zo kunnen de gebouwen in de toekomst, eventueel onafhankelijk van elkaar, blijven functioneren. De architectuur van de nieuwe gebouwen, de blokken op het hof en het kantoor, is vrijwel identiek. De rode baksteen voorgevels hebben diepliggende verticale rechthoekige openingen. In de wit geschilderde bakstenen achtergevels zijn deze overwegend horizontaal en liggen in het vlak. Zo ontstaat een verschil tussen voor en achter en komen de gebouwen los van hun omgeving. Vanwege haar bijzondere (stedebouwkundige) positie wijkt het kantoorgebouw af. Haar hoogte is gelijk aan de modernistische brouwerij. Het lessenaardak speelt een boeiend spel met de dakvlakken van het dubbelpand. Dat wordt ingeklemd, de hoek afgerond. De forse overkluizing van het langwerpige bouwsel maakt de karakteristieke bouwhistorie inzichtelijk. Nieuwbouw vond altijd plaats op de muur van het naastliggende pand. De oude gebouwen worden opgeknapt. Daarbij mag de karakteristieke afleesbaarheid van de (bouwkundige) geschiedenis niet verloren gaan. Veranderingen worden expliciet anders vormgegeven en alleen aangebracht als dat voor het eigentijds functioneren noodzakelijk is. In het dubbelpand bijvoorbeeld worden dichtgemetselde openingen teruggebracht. Als dat mogelijk is met de oude kozijnen, anders met expliciet andere. De gevels worden niet hersteld naar hun oorspronkelijkheid. De grote glazen pui op de verdieping blijft zitten. Zij verhaald over de evolutie van het brouwen, de brouwerij. In Opitter en Brouwerij St. Jozef komt de spanning tussen het vindingrijke bouwkundige werk van de plaatselijke ondernemer, de bricoleur, samen met de rationele vernuftige architectuur van de ingenieur. Ik heb getracht om hier op een vanzelfsprekende manier mee om te gaan en zo het karakter van de site inzichtelijk te maken; een verhaal over Opitter en haar gebouwen te vertellen. Om condities te scheppen voor het behoud en hergebruik van de brouwerijgebouwen.
| ||||||||||||