| Cultureel duurzaam bouwen voor architect en publiek De woningbouw verkeert de laatste jaren in een impasse. Vanuit vastgeroeste gebruik- en productiepatronen wordt de woning als consumptieartikel aangeboden. Woonconsumenten krijgen binnen een schijn van vrijheid een standaard artikel aangesmeerd of zijn aangewezen op opgedirkte collectieve woningbouw. Zo komt de belevingswaarde van het woonproduct in het gezichtsveld van de werkelijke woonbehoeften van de bewoner te staan.
Dankzij dezelfde belevingseconomie ontstaat een mogelijkheid de bewoner uit te dagen een actieve rol te spelen in het huisvestingsproces. Binnen een vastgesteld kader liggen kansen aan het diverse en dynamische woningvraagstuk tegemoet te komen. ‘Built to Last’ vraagt om een persoonlijke touch, ten einde de dans van een knagend tevredenheidgevoel te ontspringen. Inleiding In dit onderzoek staat het ontwerp centraal als relatie tussen de architect en een onbestemd publiek. Architectuur wordt vaak bestempeld als toegepaste kunst. Het gebouw is gebruiksvoorwerp, waarvan de esthetische vormgeving belangrijk is. De architect en de gebruiker kijken echter vanuit een totaal verschillend perspectief naar de gebouwde omgeving. De huidige regelgeving, naoorlogse bouwtechnieken en een op het eindproduct gefixeerd ontwerpproces ontaarden in een uniformiteit van starre nieuwbouwwoningen. Bewoners moeten zich naar hun woning schikken. Het moment waarop de gebruiker intrek neemt in het gebouw wordt gezien als het einde van de architectuur. Aanpassingen door gebruik doen dan afbreuk aan de architectonische vormgeving. ‘Wij maken gebouwen die de bereidheid hebben om bewoond te worden, niet het wonen zelf.’[Reeth 2000] bOb van Reeth wijst hier op het verschil tussen het wonen en een woning. Om de kloof tussen architectuur en publiek te overbruggen is woningbouw een dankbaar onderzoeksgebied. Iedereen heeft immers verstand van wonen; men woont zijn hele leven al. Wonen betekent ‘leven in een huis’ en het leven is aan veranderingen onderhevig. Wonen is een proces. Woonwensen zijn onvoorspelbaar, omdat iedereen zijn eigen ideeën heeft over hoe hij wil wonen. Wonen is persoonlijk. Ten slotte duurt de gemiddelde bewoning nog geen tien jaar, terwijl een woning honderd jaar meegaat. De technische levensduur van gebouwen is veel groter dan de functionele levensduur. Wonen is tijdelijk. De enige constante factor in het wonen is verandering. Architecten kunnen het wonen niet vertalen als een versteend programma van eisen. ‘Naast de oeroude betekenis van geborgenheid en omslotenheid krijgt het wonen een nieuwe lading, die te maken heeft met prositeit en transparantie, met aanpasbaarheid en flexibiliteit. Wonen krijgt, als overgankelijk werkwoord, een actievere betekenis in de zin van zich een omgeving eigen maken, zich telkens opnieuw installeren. ‘Wonen’ heeft van doen met ‘zich omhullen’; wonen betekend de permanente zoektocht naar een telkens nieuw omhulsel, omdat elk ‘wonen’ slechts momentaan kan zijn: het wonen is voortdurend doortrokken van zijn eigen tegendeel.’ [Heynen 2001] Solide kader ‘Zonder kader geen veranderbaarheid en zonder veranderbaarheid kan het leven in een huis niet ademen.’[Leupen 2002] Aanpassingsvermogen aan divers gebruik is de oplossing voor het wonen, echter niet het volledige antwoord cultureel duurzaam te bouwen. De andere voorwaarde waaraan ieder tijdsbestendig product moet voldoen is een onvoorwaardelijk draagvlak bij haar publiek. Frank Bijdendijk onderscheidt twee verschillende kwaliteiten die dit draagvlak ondersteunen; accommodatievermogen en dierbaarheid. Deze ‘Solids’ ontlenen dierbaarheid aan hun esthetische uitwerking. Dierbaarheid is afhankelijk van esthetiek en gebruiksgemak. Door het begrip ‘handleiding’ te introduceren kunnen deze twee begrippen worden samengevat. De vormgeving die de ontwerper van een tijdsbestendig gebouw nastreeft, is de articulatie van het accommodatie vermogen binnen een permanent kader. In de uitstraling van het ontwerp dient tot uitdrukking te komen, welke methoden ingezet zijn om de aanpasbaarheid van het gebouw te vergroten. Op een éénduidige wijze, zodat een leek op het gebied van architectuur deze kan lezen. ’De vormen die we maken moeten door gebruikers werkelijk kunnen worden begrepen.’[Hoeven 2003] In ‘Built to Last’ wordt een brug geslagen tussen architect en publiek. Die brug is het gebouw zelf. Ontwerpbureau Droogdesign lanceerde de productielijn ‘Do Create’ waarin producten zijn opgenomen die niet af zijn. De consument is gedwongen in te grijpen en zo een persoonlijke touch toe te voegen. Het concept ‘Do Live!’ omschrijft een ontwerpmethode waarmee aanpassingen door gebruik het gebouw complimenteren. Zo vormt het aanpasbaar ontwerp het spanningsveld tussen architect en gebruiker. De gedachtekern van de ontwerper moet zijn dat het leven in een gebouw deze juist interessanter maakt; een uitdagende ontwerphouding. John Habraken beseft dat zowel architect als gebruiker hun stempel drukken op het bouwwerk. Hij stelt daarom voor een extra schaalniveau toe te voegen aan de woningbouw; de inbouw. Er ontstaat een verticale hiërarchie van stad, via wijk en straat, naar drager en inbouw. De architect stelt zich zo boven de gebruiker. De ontwerper verliest zich in het bedenken van een technisch en vergankelijk systeem. Bernard Leupen ontleedt de woningbouw op eenzelfde schaalniveau. Enkele van de lagen constructie, dienende elementen, huid, ontsluiting en enscenering behoren tot het kader. De overige lagen vormen de generieke ruimte. Zo ontstaat zeggenschap op horizontaal niveau. De nadruk verschuift van ‘flexibiliteit voor de gebruiker’ naar ‘aanpasbaarheid van het gebouw’. Sleutelbegrip is aanpasbaarheid dat binnen het gebouw als kader tot stand komt. De architect concentreert zich op het ontwerpen van het permanente kader, welke een uiteenlopend gebruik accommodeert. De bewoner wordt gedwongen binnen het door de architect gestelde kader interactie aan te gaan met de gebouwde omgeving. Zo kan een trend ontstaan waarbij de individuele invulling van woonbehoeften prioriteit heeft. Aanpasbaarheid betekent vrijheid voor de gebruiker, gebonden aan de weerstand van het gebouw. Het onvoorziene is de uitdaging voor de architect. Aanpassingsvermogen gaat over veranderingen binnen een solide kader. Betekenis architectuur Onder de noemer ‘flexibiliteit’ is al veel geëxperimenteerd. Om tot een zinvolle invulling te komen voor het aanpassingsvermogen van het te ontwerpen kader is een aantal flexibele projecten geïnventariseerd. Naast het functioneel aanpassen van de woonruimte, uiten bewoners de wens het woonvolume te veranderen. Zij hebben uitgesproken ideeën over hoe ze uitbreidingen zouden realiseren, indien hen de mogelijkheid geboden zou worden. Eén van die ideeën, waar in de praktijk nog weinig mee geëxperimenteerd is, is het herverkavelen van de woonruimte binnen een complex. Er is behoefte aan een wooncomplex dat haar aanpasbaarheid ontleend aan het herverkavelen van polyvalente ruimten. Jos Lichtenberg vraagt zich af of architecten niet verkeerd geprogrammeerd zijn. Hij merkt op dat er ‘technisch al druk wordt geëxperimenteerd, maar de architecten opgave niet meedoet’. Een aantal ontwerprichtlijnen om het adaptievermogen van gebouwen te vergroten zijn overdimensioneren, minimaliseren en demontabel detailleren. Vraag blijft welke rol hier is weggelegd voor de architect. Door een gebouw enkel als sculptuur op te vatten, is onderzoek gedaan naar de invloed van de geometrie van een woonstructuur op het herverkavelen van wooneenheden. Er zijn een aantal geometrische eigenschappen van een structuur aan te wijzen, die invloed hebben op het aanpassingsvermogen. Het is gunstig wanneer alle afzonderlijke ruimten tot één volume te schakelen zijn, waarbij alle woonunits afzonderlijk ontsloten worden. De diversiteit aan woningtypologieën wordt vergroot naarmate het aantal aangrenzende wooneenheden toeneemt en deze ruimten zich van een neutraal voorzieningenniveau bedienen. De leesbaarheid van de methode tot herverkavelen, vormt in het gevelbeeld de handleiding van het gebouw. Er is een architectuur ontstaan die een leek op architectonisch vlak werkelijk kan begrijpen. ‘Nog interessanter is de vraag naar de werking van de architectuur van het kader voor de bewoner. In ruimere zin gaat het hier om de vraag wat de betekenis van de architectuur van een woning voor haar gebruikers is.’[Leupen 2002] De theorie van Bernard Leupen is een bruikbare kapstok om toe te lichten hoe het definitieve plan inspeelt op leesbaarheid en accommodatievermogen. De architect drukt zich uit in het permanente, waarbij hij de generieke ruimte openlaat ter invulling door de gebruiker. Zo blijft de architectuur van het kader op de lange termijn behouden en krijgt deze kans een gevoel van herkenning bij de gebruiker op te roepen. Deze waardering wordt versterkt door het gebruiksgemak van het ontwerp door de ruimte die geboden is voor het toe-eigenen van de woning. Dit ontwerp nodigt niet alleen uit tot ingrijpen door de bewoner, het dwingt daar zelfs toe. De spelregels liggen besloten in het kader, dat zelf de handleiding vormt. Een tektonische architectuur voor dit kader is ingezet om tot een heldere vormentaal te komen. De verschijningsvorm van het gebouw verwijst naar het constructieve stelsel ervan. De constructieve opbouw accommodeert uiteenlopend gebruik. Het gevelbeeld krijgt als handleiding betekenis voor de bewoner. Zo wordt een brug geslagen tussen architectuur en haar publiek. Architectuur heeft geen voorstelling zoals beeldende kunst. Architectuur is een voorstelling. ‘Mooi of niet mooi, laat maar zitten, als ze maar weten wat er aan de hand is.’ [Janssen 1981] References [1] Reeth, B. 2000, Het zoeken naar architectuur, [link] 20050824, pp. 12 [2] Heynen, H. 2001, Architectuur en kritiek van de moderniteit, Uitgeverij SUN, Nijmegen, pp. 301, isbn 90 6168 968 6 [3] Leupen, B. 2002, Kader en de generieke ruimte, Uitgeverij 010, Rotterdam, pp. 223, isbn 90 6450 45 47 [4] Tilman, H. 2003, ‘In zaken van architectuur ben ik domweg en moralist’, de Architect, Interview met Kees van der Hoeven, Oktober, pp. 43 [5] Leupen, B. 2002, Kader en de generieke ruimte, Uitgeverij 010, Rotterdam, pp. 224, isbn 90 6450 45 47 [6] Janssen, P. 1981 atelier Dutch Dressing artikel Dutch Dressing, Jan Westra
| ||||||||||