| een theater- kunstencentrum in Antwerpen In de ontwerpopgave voor een theater-kunstencentrum ligt een paradox besloten. In toenemende mate worden het theater en het museum gedacht als laagdrempelige, multifunctionele gebouwen die zijn ingebed in hun stedelijke context en zo de wederzijdse integratie van kunst en openbaarheid bevorderen. Wanneer men kunst echter beschouwt als een spiegel die op onze wereld reflecteert en zo de mens wil confronteren met de vreemdheid van zijn bestaan, blijkt deze behoefte tot integratie eigenaardig. Pas in de sfeer van vervreemding, in contrast tot de alledaagse werkelijkheid, komt de autonomie van de kunst immers tot zijn recht. Midden in het hart van de stad Antwerpen wordt een kunstencentrum gedacht dat aan beide aspecten van deze opgave probeert te beantwoorden. In het gebouw wordt een ruimtelijk interieur voorgesteld dat zowel de stedelijke dynamiek en openbaarheid in zich opneemt als er zich van afzondert. Ingeklemd tussen enerzijds de Meir met zijn stedelijke grandeur en commercieel geweld, en anderzijds de monumentale Handelsbeurs met in haar schaduw kleinschalige bebouwing, beantwoordt het gebouw zijn omgeving in een aantal noties. Qua volume en primaire structuur vormt het gebouw een nevenschikking van de Handelsbeurs. De typologie van het voorheen gesloten bouwblok wordt opengebroken en maakt plaats voor die van het forum. Tussen het nieuwe theater en de Beurs ontstaat een binnenkoer, waaraan naast de ingang tot de Beurs ook de entree van het kunstencentrum wordt gesitueerd. Het L-vormige, neoclassicistische gebouw dat eveneens onderdeel uitmaakt van deze stedelijke binnenruimte wordt herbestemd tot hotel-restaurant. De autonomie en typologie van de ‘kunsthal’ wordt ondergraven door een stedelijke passage die het nabijgelegen metrostation verbindt met de entree van het kunstencentrum en de Handelsbeurs. De passage is gedeeltelijk vormgegeven als een tribune zodat ze gebruikt kan worden voor diverse voorstellingen in de open lucht. Tevens ligt aan deze passage de voetgangersingang tot een parking die zich onder het complex in een spiraalbeweging uitstrekt en door zijn afmetingen en structuur in staat is ook andere, onvoorspelbare programma’s in zich op te nemen. Doordat het kunstencentrum zich op maaiveldniveau oriënteert op de Beurs ontstaat aan de Meir de mogelijkheid voor een commerciële functie. Hier wordt een luxe winkel voorgesteld, die zowel vanaf de Meir als de passage bereikbaar is. In het kunstencentrum wordt de ruimtelijkheid van expositie- en theaterzalen door constructieve elementen bepaald. De klassieke monumentaliteit van de basilica wordt door de parallelle plaatsing van betonnen schijven opgelost. Het neutrale interieur, dat vooral de kunst wil laten spreken, wordt door een zwartgrijs theatergordijn van betonnen reliëfpanelen aan zijn omgeving onttrokken. Daar waar het gordijn zich opent, vormt de stad het decor voor het theater, en geeft de ‘black box’ in ruil daarvoor iets van zijn geheim prijs. Aldus ontstaat een gebouw dat niet alleen een antwoord biedt op de hedendaagse behoeften van het cultuurgebouw, maar eveneens een visie geeft op de relatie tussen architectuur en stad; hoe het architectonisch object als nieuw stedelijk fragment in de stad kan worden neergelaten, terwijl het tevens zijn aard aan de stedelijke context ontleent. In dit geval als een herinnering aan iets dat nooit geweest is.
| ||||||||||||