Stichting Eindhovenseschool.net geeft een zichtbaar en inhoudelijk gezicht aan architectuur, design en aanverwante disciplines in regio Eindhoven. Het streeft naar een herkenbaar en inzichtelijk archief van onder andere gebouwde projecten en theoretische verkenningen. Het is het centrale netwerk waar architecten en andere vormgevers zich kunnen voorstellen en presenteren en slaat een brug tussen studenten, de beroepspraktijk en geïnteresseerden.
RIFBOUW [een klein abc]
Rizomatische poezie en haar vele reflecties.
door Dirk van Bastelaere auteurslijst op dinsdag 17 augustus 2004 e-mailen van het content onderwerp afdrukken van het content onderwerp reacties: 0 hits: 3972
 8.1 - 10 stemmen -

"No degree of knowledge can ever stop this madness, for it is the madness of words." - Paul de Man

"Schwer erklärbare Macht des Wörtes, das läst und fügt. Fremdartige Macht der Stunde, aus der Gebilde drängen unter der formfordernden Gewalt des Nichts." - Gottfried Benn


A1.
Allegorie. Voor Paul de Man wordt de allegorische leeswijze gekenmerkt door de wetenschap dat er zich tussen de woorden en dingen of ervaringen een onopvulbare diepte bevindt. De allegorie wijst voortdurend op zijn eigen arbitraire karakter en stelt de toekenning van betekenis uit. "the allegorical mode is accounted for in the description of all language as figural and in the necessarily diachronic structure (een proces in de tijd, dvb) of the reflection that reveals this insight." Een tekst is literair in zoverre hij verlezing op verlezing in de hand werkt. Een tekst, waarvan de eigen logica ondermijnd wordt door het retorische apparaat, wekt talrijke misinterpretaties op. Bovendien is de literaire tekst, het gedicht zich van zijn eigen fictiviteit en retorische aard bewust. Een gedicht is zijn eigen allegorie.

A2.
Anekdote. De anekdote is aan de allegorie uit A1 geheel tegengesteld. Vaak vindt zij haar oorsprong in de werkelijkheid en gaat in een bepaald soort poëzie aan die poëzie vooraf. Wat Van B. echter de allegorische anekdote noemt is het resultaat van het taalproces, van het zich schrijvende gedicht. De allegorische anekdote is een gevolg van de interacties tussen de woorden en gaat er niet, als een leven dat monumentaliteit onder welke vluchtige vorm dan ook voor zich opeist, aan vooraf. In Pornschlegel en andere gedichten zijn er legio zulke allegorische anekdotes. Op die manier wordt het gedicht niet afgesloten van de buitentalige werkelijkheid zoals het steriele postexperimentele vers. De referentie wordt tot op zekere hoogte in stand gehouden.
A3.
Angst. De angst voor beïnvloeding. The anxiety of Influence, zo leert ons de eminente criticus Harold Bloom, is een gevolg van de strijd met sterke, prometheïsche voorgangers. Elke jonge sterke dichter is een efebe. Sinds de Romantiek, het tijdperk waarin de poëzie een proces van subjectivering onderging, gaat de efebe enigszins gebukt onder zijn existentiële staat van nakomer. Invloed wordt niet langer als vanzelfsprekend of gezond ervaren, maar in zekere zin zelfs destructief. Over het blanke, gewelfde voorhoofd van de efebe valt de schaduw van zijn voorganger. De efebe is uit op de bestendiging van zijn naam. Daarom moet hij de strijd aanbinden met de voorgangers. Samengevat komt de Bloomse Scene der Onderrichting hierop neer: De jonge dichter wordt gegrepen door de kracht van een oudere dichter (de uitverkiezing), waarna een overeenkomst van visie (het verbond) tot stand komt, gevolgd door de keuze van een tegeninspiratie of contramuze (de wedijver), waarna de ogenschijnlijk bevrijde efebe zich opwerpt als een ware manifestatie van de authentieke dichter (de incarnatie). Uiteindelijk herwaardeert de laatkomer op veelomvattende wijze zijn voorloper in de interpretatie en herschept hem, als nieuw, in de revisie. Doorgaans wordt hierbij het grote verlangen naar autonomie en macht dat zich bij de nieuwe sterke dichter manifesteert verdrongen. Deze wil tot macht ondergaat een proces van tekstualisering. Als reactie op de angst die de voorloper bij de efebe teweegbrengt, ontstaan bij deze laatste psychische defensiemechanismen die in de poëzie verschijnen als specifieke tropen, stijlfiguren. Noodzakelijke voorwaarde voor de Bloomtheorie blijft, natuurlijk de aanname van het subject als eerste grond. De angst voor chaos, daarentegen, leert de jonge dichter Van B. steeds beter te beheersen. De wereld is hem op leefbare wijze chaotisch.

B1.
Betekenis. Ons bestaan wordt gekenmerkt door een waanzinnige bijna dwangmatige zoektocht naar betekenis. Een gevolg daarvan is dat sommigen nog steeds verlangen naar een definitieve, aardse betekenis die het gevolg is van een gezagvolle interpretatie. Deze interpretatie is zoals elke interpretatie een misinterpretatie. Op heden is de wereld over-interpreteerbaar geworden; de tekens rondom ons spreiden een duizelingwekkende meerzinnigheid ten toon. De poëzie behoort tot die wereld. Stort zich in die wereld uit. Het is een vrolijke wereld.

B2.
Breuk. Het gedicht is in zichzelf verdeeld. Door god weet wat wordt de lineariteit verbroken. Door de temporaliteit, door de retorische natuur van de taal allicht, door de polyfonie van geruchten, teksten, stemmen, rumoer en codes.

C1.
Criticus. "A critic must choose," schrijft J.Hillis Miller in zijn essay Georges Poulet's 'Criticism of Identification' "either the tradition of presence or the tradition of "difference", their assumptions about language, about literature, about history, and about the mind cannot be made compatible."

D1.
Deconstructie. "poetic writing is the most advanced and refined mode of deconstruction..." Paul de Man.

D2.
Discontinuïteit: Voor Kristien Hemmerechts was de discontinuïteit in een roman van Louise Erdrich een kwestie van verhoogde mimesis. "Het leven is ook behoorlijk discontinu", merkte ze mild, vergoelijkend op. De beroemde schrijfster gaat daarin voorbij aan wat de discontinuïteit in essentie is: een betekenisvorm die alle idolen van de positiviteit (klassieke schoonheid, systeemzin, existentiële zekerheden) subverteert. Discontinue geschriften zijn: negatief, paradoxaal, bedrieglijk. De discontinuïteit loodst ahw de leegte het gedicht binnen. Het is de installatie van de negativiteit. Vandaar het gebruik van de retorische figuren van afwezigheid: ellips, asyndeton, de a-causale nevenschikking, de hiaat, de anakoloet; maar ook de discursiviteit binnen het vers gehaald en, bij voorbeeld, een geperverteerde hypotaxis, met als boeiend literair resultaat de schijnargumentatie. Discontinue geschriften hebben een ethische functie: de lezer die aan een onverbloemd historisch optimisme verkleefd is, te doen verkillen. De discontinuïteit is een anti-teleologische vorm en ontpopt zich als pure ironie tov elke poging tot synthese. Gevolg voor het verhaal, de lineariteit: een gebruuskeerde chronologie. Limiet van de discontinuiteit is niet het aforisme, maar het in zichzelf verdeelde gedicht, dat zijn craquelé kent uit de spiegels van andere verzen. Limiet van de discursiviteit in het gedicht is het essay. Typisch voor onze dagen lijkt Van B. de hybride toestand waarin het essay gedicht wordt en het gedicht essay.

F1.
Flux. De flux is, paradoxaal genoeg, de enige constante van het bestaan. Het gedicht verhoudt zich synecdochetisch tot de flux en vertoont op microniveau dezelfde processen als de "werkelijkheid", die een voortdurend evoluerend proces is. Vandaar dat elke narrativiteit noodzakelijk een verstoorde narrativiteit is, want doorsneden door wezensvreemde elementen. Het gedicht vraagt daarom een voortdurende lezing, aandacht voor de beweeglijkheid van de taal op elk moment, op elk niveau. Als flux is poëzie een articulatie van de "werkelijkheid".

F2.
Fragment. "Fragments are the only forms I trust," aldus een personage van Donald Barthelme.

F3.
Fragment. Het gedicht is een fragment van een tekstueel zelf, en behoort tot de wereld. In het gedicht zelf is er een zodanige schittering van fragmenten dat het niet mooi meer is.

G1.
Gedicht. Het gedicht is een onafsluitbare zelfrealisatie van een linguïstisch proces. (Voorlopige definitie) Het gedicht is een zichzelf verstorend verhaal, zijn retorische figuur bij uitstek is de anakoloet. Het gedicht heeft niet een representatieve functie, maar is presentatie. Poëzie is geen afgeleide, maar een constituante van de werkelijkheid. Geen platte mimesis, maar performantie. "Het gedicht gaat om, infinitief."

I1.
Ik. Een belangrijk thema van Vijf jaar was het thema van de problematische identiteit; een laat-moderne reflex (net zoals de problematische perceptie, zoals die door Erik Spinoy in De jagers in de sneeuw aan de orde wordt gesteld, een typisch laat-modern verschijnsel is) omdat Van B. de identiteit tracht te recapituleren - zij het vergeefs - als een centrum van waaruit de wereld wordt beleefd. Zowel Spinoy als Van B. proberen de epistemologische twijfel te neutraliseren. Dat is een normale, voor de hand liggende erfenis der modernen. Technisch gezien resulteerde dat in Vijf jaar in een sterk lyrisch ik dat met zijn eigen onmogelijkheid (als centrum van de ervaring) geconfronteerd wordt. Thematische pendant daarvan was de gedwarsboomde zelfrealisatie. Dit sterk lyrische ik werd in Pornschlegel en andere gedichten een zwak ik. In een groot aantal gedichten werd het zelfs zo weinig als maar zijn kan: een linguïstisch ik. Een eerste persoon enkelvoud. Het centrum van de ervaring ligt hier verspreid over alle teksten. Zwervende. Ook in nieuwere gedichten is de ontmanteling van de eerste persoon aan de gang.

L1.
Leben. "Mein Leben ist völlig sinnlos. Wenn ich seine verscheidenen epochen betrachte, so geht es mit meinem Leben wie mit dem worte "Schnur" im Lexikon, das einmal einen Bindfaden bedeutet und zum andern eine Schwiegetochter. Es fehlte nur noch, dass das wort "Schnurr" drittens ein Kamel bedeutete und viertens einen Staubbesen." Sören Kierkegaard, Entweder-Oder. Oninterpreteerbaarheid en overinterpreteerbaarheid zijn elkaars schaduw. En, zoals uit deze passage blijkt, zijn ze eigenlijk hetzelfde. K's leven is zinloos omdat het te rijk aan zin is. De imperatief entweder/oder speelt hem daarbij lelijk parten. De zinloosheid van zijn leven komt voort uit de onmogelijkheid het te interpreteren als het een of het ander. Terwijl het eigenlijk het een en ander is. Maar dat boek zou dan heten: Und -Und -Und. En dat zou betekenen dat K had leren leven met de ambiguïteit (de dubbelzinnigheid).

L2.
Lichaam. Poëzie is levenslang een persoonlijk project in antwoord op teksten en ervaringen. Het is een duurzame strategie die het scheppen van een zich onder de ogen der lezers steeds veranderend tekstueel lichaam tot doel heeft. Dat tekstuele lichaam doet, gezien zijn aard, zijn intrede in de geschiedenis en bestendigt tot op zekere hoogte de naam die metonymisch ook aan het biologische lichaam zal hebben toebehoord. Want een tekstueel lichaam is minder vergankelijk dan een lijf van 1.85 m.

M1.
Maniërisme. Het postmodernisme is een ultramaniërisme. Het is de perfecte antipode van het soort neo-klassiek dat zich beroept op orde maatgevoel, helderheid, metrum, structuur, etc. (zijn patroon: Nijhoff, zijn motto: "Het leven ordenen!", zijn gedragscode: bescheidenheid); ook al worden door de ultramaniërist deze vormen gebezigd om ze te parodiëren, te ondermijnen of in contrast te zetten tot de eigen thematiek.

M2.
Metapoëzie. Vrijwel elk gedicht in Pornschlegel en andere gedichten is metapoëzie. Honi-soit, qui mal y pense.

M3.
Misinterpretatie. Elke interpretatie is noodzakelijk een misinterpretatie. Het lezende hoofd buigt zich over een taal die heen en weer golft tussen de belofte van referentie en de retorische subversie van die belofte.

O1.
Onafsluitbaarheid. Hiermee wordt bedoeld: de onafsluitbaarheid van de interpretatie. Het is niet zo dat verschillende interpretaties naast elkaar bestaan; ze kunnen niet zonder elkaar bestaan.

O2.
Oneigentijds. In zekere zin wil de poëzie van Van B. de verlokkingen van het eigentijdse (scènes, melodieën, sterke beelden, ervaringen, scherpte, directheid) paren aan het fundamenteel oneigentijdse der poëzie. In deze jaren leeft men doorgaans in een omgeving waar functionalisme, rechtlijnigheid, versmalling, sterke prikkels, en rudimentaire symboliek primeren. Betekenis wordt gereduceerd. De poëzie daarentegen gaat breeduit, doet terugkeren in cirkelbewegingen. Is nutteloos, zodat de bezigheid van de dichter de meest oneigentijdse der bezigheden is. Vertraagt. Dijt uit. Ik ben zo wijd.

O3.
Oninterpreteerbaarheid. Niets dat iets anders aanraakt. (Atomisering). Zijn psychiatrische equivalent: de schizofrenie.

O4.
In de onorde van het gedicht verschijnt het vergetene, het verstrooide, het onbestaanbare, het veronachtzaamde, het mogelijke, het afkerige, het zich afkerende, het ontwijkende, het onmogelijke, het irrelevante, het verstoorde, het onaffe, het accidentele, het uitgestelde.

O5.
Ontordening. Het gedicht is een evoluerend ding in de tijd. Het neemt ruimte in, en tijd. Het verandert zichzelf door geschreven te worden. Als het schip Argo, waarvan elk onderdeel tijdens de zeereis vervangen werd, wijzigt zich het gedicht onder het inktpotlood en onder het interpreterende oog van de lezer. Zo beschouwd is het gedicht zijn eigen transformator. Van statische gedichten kan bij Van B. dan ook geen sprake zijn. Pornschlegel en andere gedichten bevat immers poëzie die naar ontordening streeft, ipv naar orde. Op formeel vlak is dat niet zo meteen duidelijk, maar het is vooral op betekenisvlak dat patronen van niet hiërarchisch geordende betekenissen een proces van ontordening in gang zetten. Die veelheid van betekenis is het doel van elke vorm van literatuur. De beweging naar ontordening, die daar een gevolg van is, is in essentie een groeibeweging. De tekst is een rif. Dat is niet niks.

O6.
Orde. Orde is een fictie. Omdat het gedicht nog altijd een gedicht is, dwz het neemt een zeker aantal regels in beslag, het gehoorzaamt aan en overtreedt de regels van de grammatica, het is over een pagina of een aantal pagina's verspreid, creëert het een orde die het zelf subverteert.

O7.
Overinterpreteerbaarheid. Alles dat alles aanraakt. Zijn psychiatrisch equivalent: de paranoia.

P1.
Paradijs. Het paradijs is een paradijs van betekenis. Anders dan het modernisme dat het verloren paradijs (van voor de zondeval, voor het bewustzijn, het ontstaan van de taal) wou herwinnen bij middel van de stilte of de destructie van de taal, of de neoromantiek die het paradijs van het verleden een ogenblik lang opriep in het gedicht of het neorealisme dat de werkelijkheid zag als het paradijs waarmee het wou samenvallen in een transparante, per definitie onliteraire taal in tegenspraak met de metaforische aard ervan, verwezenlijkt voor Van B. het paradijs zichzelf in de ongekende betekenismogelijkheden van het gedicht (de tekst). Het paradijs is een tuin met zich steeds verder splitsende paden. Het is geen regressief verlangen naar een voorbewuste staat waarin het subject met de wereld samenvalt, het is een staat van hyperbewustzijn, waarin het subject zich bewust is van zijn historiciteit (en dus zijn contingentie) en van een ontologische kloof tussen het zelf en de wereld. Het gedicht is de plek in ruimte en tijd waar dit paradijs zich bij voorkeur manifesteert.

P2.
Poëtica. In hoeverre een poëtisch project gerealiseerd wordt, hangt niet alleen af van de dichter, maar vooral van het gedicht. Poëticale bespiegelingen zijn dus altijd reflecties a posteriori. Wie aan een a priori poëtica wil gehoorzamen, kan zich net zo goed met honing insmeren en, als een Sebastiaan der bijen, aan een paal laten binden onder een hoge balsturige zon.

R1.
Regels. Het gedicht schrijft zich niet alleen zelf, het leest zichzelf ook. Terwijl het gedicht groeit, ontstaat wat Roland Barthes de scripteur noemt en schrijven zich de regels waaruit het zich openwerkende gedicht zal zijn gegroeid, in het organisme in. Er bestaat niet zoiets als een pre-existente set van regels waaraan welke tekst dan ook zou willen gehoorzamen. In het licht van de regels die er achteraf uit worden afgeleid is het gedicht een gebeurtenis, maar een gebeurtenis door wisselvalligheid gekenmerkt. Gevolg daarvan is een zekere fragiliteit en een bijzondere gevoeligheid voor het verwoestende en verstrooiende werk van de tijd. Hierdoor wordt de lineariteit gebroken.

R2.
Rifbouw.

DARWIN
Het rif leeft.
Zijn eigen herinnering
Houdt een rif vast aan zijn begin.
Het lijkt de paleisvloer
Van nog een Troje
Maar is een kolonie van de zee
In de zee. De schepen rondom
En de wandelaars op zich
Moet het vergeten zijn.
Nooit echter
Verbeeld dan door zichzelf
Is van een rif het hart nog te vinden:
Verspreid in het veld,
De klinkers uit tientallen zinnen.
De duur van je leven
Is een hertshoornkoraal
Dat niet eens echt
Is begonnen.
Vrijwel geen mens komt hier voor.
Op de Beagle was het
In 1836, april,
Dat boven Darwins dagboek zich Darwin,
Een wolkflard bewoog.
Darwin verdampt
Gaat het rif met rifbouw door.

R2bis.
Het rif is, onder andere, een metafoor voor de onophoudelijke groei van de tekst en van de betekenissen van de tekst, zodat de interpretatie onbeëindigbaar is… Of om Roland Barthes over de haiku te bezigen: " met een door de leer van Hua-Yen voorgesteld beeld zou je kunnen zeggen dat het collectieve lichaam van de haiku's een netwerk van juwelen is, waar elk juweel alle andere weerspiegelt, tot in het oneindige, zonder dat er ooit een middelpunt, een stralende kern is te zien (voor ons zou de beste illustratie van dit rad zonder motor of as, van dit spel van schitteringen zonder bron het woordenboek zijn, waar elk woord zich slechts door andere woorden laat omschrijven)."

R2.
Ritme. Van bij de eerste versregel vraagt elk gedicht om zijn eigen organische ritme. Ritmestoornis heeft wellicht iets te maken met betekenisstoornis. Metrum is het gedicht een botte hakbijl.

W1.
Wereld. De wereld breidt zich uit, breidt zich uit.

W2.
Wit. De mythe van het wit. Het wit tussen de regels. In het gedicht, dat gekenmerkt wordt door een extatische hoeveelheid van betekenis, is het wit een metafoor voor de zich in het gedicht binnenborende leegte. En eigenlijk is het andersom: het gedicht stort zich over de blanco pagina uit als zwart zaad. Het wit is de antipode van het gedicht. Als het gedicht materie is, is het wit anti-materie. Toch is elke neerslag van woord en betekenis een tijdelijke, quasi heroïsche overwinning van de taal op de leegte. In 1960, het geboortejaar van Van B., vraagt de Amerikaanse dichter Robert Creeley zich af: "then what/is emptiness/for." En het gedicht antwoord: "to/fill, fill." Zo is het gedicht een verstoring van de leegte. "Een lek in het zwijgen," zoals J.Bernlef het formuleerde in een recensie van Hans Faverey's poëzie.

Z.
Zelf. Het zelf is een linguïstische constructie die zich wijzigt en uitbreidt onder elk nieuw woord. Het schrijven is voor Van B. niet alleen het worden van een tekst, het is hem ook het worden tot een tekst. Het is de creatie van een tekstueel lichaam, rijk aan betekenis zoals het vlezen lichaam rijk is aan bloed. Een ander zelf, groeiend wisselvallig en, gezien de natuur van de taal, nooit gelijk aan zichzelf. Op die manier wordt het kwikzilveren biologische zelf dat zich ophoudt in de wereld der fenomen een ander, een ander zelf. Een rif op zich.

Reageren? Eerst inloggen of aanmelden. Klik hier om aan te melden
vacatures
we zoeken naar enkele columnisten en redactieleden, heb je interesse? lees verder
random artikel
reclame
Stichting Eindhovenseschool.net - Kvk Oost-Brabant 17169485 - contact [email] - poweredby © e107.org - implementation by © evanderfeesten.nl
all content is © their respective owners - Our news can be syndicated by using these rss feeds: rss1 - rss2 - rdf
Render time: 5.1866 second(s); 4.7733 of that for queries.