Stichting Eindhovenseschool.net geeft een zichtbaar en inhoudelijk gezicht aan architectuur, design en aanverwante disciplines in regio Eindhoven. Het streeft naar een herkenbaar en inzichtelijk archief van onder andere gebouwde projecten en theoretische verkenningen. Het is het centrale netwerk waar architecten en andere vormgevers zich kunnen voorstellen en presenteren en slaat een brug tussen studenten, de beroepspraktijk en geïnteresseerden.
Woningbouw en het probleem van de architectuur
door John Habraken auteurslijst op dinsdag 17 augustus 2004 e-mailen van het content onderwerp afdrukken van het content onderwerp reacties: 0 hits: 4215
 6.1 - 12 stemmen -





De architect vindt het alledaagse als filosofisch en theoretisch concept niet aantrekkelijk. Dat is het probleem van de architectuur. John Habraken betoogt in onderstaand artikel dat het huidige zelfbeeld van de architect slecht is uitgerust voor het vraagstuk van de woningbouw, van het alledaagse. De architectuur beschouwt de woningbouw als een trivialiteit, omdat zij nog steeds gericht is op het bijzondere in plaats van het thematische, het duurzame in plaats van het veranderende en de totale controle in plaats van een opdeling in ontwerp- en beslissingsniveaus. 'Verdeling van ontwerpniveaus is bedreigend. Verandering in de tijd is verwarrend. Thematische continuïteit geeft geen prestige'. De architect vindt het alledaagse als filosofisch en theoretisch concept niet aantrekkelijk. Dat is het probleem van de architectuur.

Het Open Bouwen Alternatief
In Zevenaar nadert de voltooiing van een project van 168 appartementen waarin de bewoners de indeling van hun huurwoning zelf kunnen bepalen. De Algemene Stichting Woningbouw Zevenaar (ASWZ) heeft voor dit project ook het predikaat duurzaam bouwen gekregen. Niet alleen omdat scheiding van drager en inbouw de individuele vernieuwing van de woningen over de langere termijn toestaat, maar ook omdat het gehele gebouw volgens de nieuwste ecologische principes ontworpen is. De daken worden bedekt met een vetplantsoort, milieuvriendelijke materialen zijn gekozen en het energiegebruik van de woningen is geminimaliseerd. In een nabijgelegen sporthal is een maquettesysteem geïnstalleerd met behulp waarvan de bewoners in enkele uren de door hun samengestelde plattegrond op ware grootte kunnen zien. Architect Frans van der Werf is hiermee met zijn achtste drager/inbouw project bezig en heeft de volle ondersteuning van de ASWZ omdat men overtuigd is dat deze benadering niet alleen de gebruikers bedient maar ook op de lange termijn de meest economische is. In het najaar van 1993 werd in Osaka een stedelijk blok gebouwd ontworpen door Prof. Yositika Utida in antwoord op een verzoek van de Osaka Gas Company om het woongebouw van de toekomst te maken. De door Utida gebouwde drager is ontworpen als een stukje driedimensionale stedenbouw. Publieke ruimte op de begane grond is via galerijen en trappen verbonden met een tuin op het dak. In de structuur is een verkaveling voor woningen gemaakt waarna een tiental architecten zijn uitgenodigd een totaal van achttien woningen te ontwerpen. Voor de gevels van de woningen konden zij gebruik maken van een speciaal ontworpen aluminium gevelsysteem dat vrije indeling toelaat en van binnenuit demontabel is. Ook hier zijn nieuwe methoden van energiebeheer en afvalverwerking toegepast. Toen het gebouw gereed was, is het enkele maanden opengesteld voor het publiek en trok het duizenden bezoekers. Het "Congres Internationale du Batiment" (CIB) een wereldwijd netwerk van onderzoekers, bedrijven, en instellingen op het gebied van de bouw, opgericht na de tweede wereldoorlog, telt onder zijn talloze werkgroepen de "Task Group 26 for Open Building Implementation" waarvan de leden uit Japan, Europa, en de USA twee maal per jaar samenkomen om elkaar in te lichten over recente ontwikkelingen: deze zomer in Helsinki, daarvoor in Delft, Washington, en Tokio. Open Bouwen heeft drager/inbouw scheiding als gemeenschappelijk uitgangspunt, maar richt zich vooral op ontwerp, uitvoering, en management van open systemen en de daarmee samengaande reorganisatie van het bouwproces. Open systemen worden steeds belangrijker in de bouw. De waarde toegevoegd door de toeleverende industrie is gestaag toegenomen in de laatste tien jaar, de waarde toegevoegd door de aannemer neemt gestaag af. Bijna ieder onderdeel van het gebouw is gesystematiseerd - van daken en gevels tot verwarming en inbouw. De leden van TG26 zijn onderzoekers, ontwerpers, industriëlen, bestuurders en managers. De Nederlandse stichting Open Bouwen ging aan de internationale werkgroep vooraf en was, in de tachtiger jaren, de opvolger van de Stichting Architecten Research (SAR) met de doelstelling om van onderzoek door te stoten naar implementatie. Niet alleen technici en ontwerpers onderschrijven de open bouwen filosofie. Wellicht het meest belangrijke initiatief in deze ontwikkeling is van puur economische en juridische aard. De woningbouw vereniging Het Oosten in Amsterdam heeft verleden jaar, op initiatief van directeur Frank Bijdendijk, haar bewoners de gelegenheid geboden om de binnenkant van hun woning te kopen. Koophuur geeft de bewoner het recht zijn woning van binnen te veranderen en te onderhouden terwijl de woningbouw corporatie verantwoordelijk blijft voor de gemeenschappelijke ruimten en het bouwwerk als geheel. Op het eerste aanbod werd onmiddellijk gereageerd en na de eerste 250 aanmeldingen werd een pauze voor evaluatie ingelast. Deze is nu voltooid en het systeem zal voortgang vinden. Het nam negen jaar om alle juridische en economische aspecten uit te werken. Nu kunnen de bewoners die hun woningbinnenkant kopen een hypotheek krijgen waarvan de rente, net als bij een 'normale' woning hypotheek, aftrekbaar is. Het initiatief van Het Oosten is nu ondersteund door het ABP pensioenfonds dat zelf tienduizenden woningen bezit en de AEGON dat verzekering en hypotheek van Koophuur woningen aanbiedt. De drie partijen hebben een Stichting Koophuur opgericht welke de knowhow voor Koophuurimplementatie beschikbaar maakt aan woningbouwverenigingen en ontwikkelaars. Hiermee zal in de komende jaren een markt worden geopend die de technische ontwikkeling van drager/inbouw scheiding zal stimuleren. Interessant is hierbij dat het Koophuur initiatief aanleiding was tot een verhit debat in het Nederlands Juristen Blad (NJB) over de vraag of het Burgerlijk Wetboek nu wel zoiets als een inbouwwoning erkende. het ging hierbij om de vraag wat nu de beste juridische constructie kon zijn waarin dit nieuwe fenomeen gegoten kon worden. Als de maatschappij verandert past de jurisprudentie zich aan.

Het alledaagse
Woningbouw is veel meer dan architectuur. Het heeft te maken met de gebouwde omgeving als zodanig: met de alledaagse omgeving van steden, buurten, dorpen, buitenwijken. En met de krachten - juridisch, economisch, sociologisch, politiek, technisch - die daarachter schuilen en er vorm aan geven. Die alledaagse omgeving is altijd problematisch geweest voor het architectonisch denken en de architectuurtheorie. Het professionele zelfbeeld van de architect weet er geen weg mee. Wij identificeren onszelf aan het beeld van de architect zoals dat in de renaissance ontstond. Palladio is het rolmodel waarin de hedendaagse architect zich nog herkent. Hij was de eerste architect die niet de kerk of de adel tot opdrachtgever had maar de rijke burgers van Venetië die veel grond bezaten op het vasteland en daar hun boerderij-villa’s lieten bouwen. Hij was de eerste die zijn werk publiceerde en mede daarom werd zijn werk nagevolgd over de ganse Westerse wereld. Het zelfbeeld van de hedendaagse architect, en daarmee ook zijn opleiding is nog steeds Palladiaans, hoewel, natuurlijk, de architectuur er anders uitziet. In het verleden was de alledaagse omgeving een vanzelfsprekend gegeven in stand gehouden door krachten die met de architectuur niets te maken hadden. Geen architect die zichzelf geroepen zag om door zijn ontwerpen aan de alledaagse omgeving bij te dragen. Het scala van opdrachten was beperkt tot de kerk, het paleis, de burcht, en de villa. Zo was het eeuwen lang. De revolutie van het modernisme was dat de architect het alledaagse ontdekte als een architectonisch object. We kennen de geschiedenis: hoe Tony Garnier de stedenbouw binnen de architectonische aandacht bracht, hoe Behrens, en later Gropius de fabriek en de werkplaats tot architectuur verhieven, hoe later Corbusier met de 'Unité d'Habitation' van het woonblok architectuur maakte. Uiteraard gebeurde dit onder de invloed van maatschappelijke krachten. De architect werd, of hij wilde of niet, meegetrokken naar het maken van de alledaagse omgeving waarin alledaagse mensen wonen en werken. Daar ligt nu zijn voornaamste werkterrein. Met de moderne tijd is het alledaagse voor het eerst in de geschiedenis een architectonisch onderwerp geworden. Voordien was architectuur het bijzondere. De kerk, het paleis en de burcht waren bijzondere interpretaties van een reeds algemeen bekende manier van bouwen en ontwerpen. De typologieën, de wijze van detailleren en construeren waren niet uitgevonden door architecten, ze kwamen uit de alledaagse praktijk van bouwen en wonen en werden door architecten opgenomen en tot een hoger niveau gebracht. De alledaagse omgeving was altijd de vruchtbare grond waarin architectuur wortelde. Nu is dat niet meer zo. De alledaagse omgeving is zelf architectuur geworden. Hij is nu niet meer de bron van ervaring en inspiratie maar zelf een ontwerpprobleem. De gevolgen van de ommekeer zijn fundamenteel: hoe kan een architectuur opereren zonder zijn wortels in de alledaagse omgeving te hebben? Merkwaardig genoeg is die vraag nooit onderwerp van discussie geweest in het architectonisch denken. Deze verbijzondering van het alledaagse stelt ook methodologische problemen. Er is geen reden om aan te nemen dat de manier van werken en concipiëren volgens het Palladiaanse model goed toepasbaar is op de alledaagse omgeving. De ontwerptaak is fundamenteel anders geworden. Ik noem drie aspecten:
  1. Tijd en verandering. De alledaagse omgeving berust op verandering: door verandering en voortdurende transformatie blijft zij gezond. Architectuur wil permanent zijn. Er is niets in ons zelfbeeld en in de manier waarop wij architectuur bespreken, beoefenen en leren, dat ons vertrouwd maakt met een omgeving waarin verandering een essentiële voorwaarde is. Architectonische referenties zijn nog overwegend monumenten. Architectuur wil nog steeds de tijd stil zetten.
  2. De alledaagse omgeving is thematisch. Dat wil zeggen dat dingen op elkaar lijken en een continuïteit van dezelfde typen en patronen vertonen. Die typen en patronen veranderen uiteraard door de tijd, maar geleidelijk en omdat een cultuur zich verandert. Het volgen van gemeenschappelijke patronen en typen is een essentiële voorwaarde voor een coherente alledaagse omgeving. Er is niets in ons zelfbeeld dat ons vertrouwd maakt met thematische aspecten van de omgeving waarin we bouwen. Prestige onder vakbroeders vereist originaliteit en vernieuwing. Ieder doet op zijn eigen wijze. De nadruk ligt altijd op het verschil. Overeenstemming wordt als beschamend ervaren. De stad als dierentuin; de olifant naast de giraffe. Met thematisch werken en denken zijn we dus niet vertrouwd, we missen het vocabulaire om daarover te spreken en de stimulans om daarmee bezig te zijn.
  3. Het alledaagse berust op kleinschalige variatie. Het blijft leven omdat op het alledaagse niveau, van de alledaagse handelingen, actie wordt ondernomen tot aanpassing en zelfidentificatie door gebruikers en bewoners en bezitters. Dat kleinschalige is nooit in conflict geweest met het grote gebaar. De Amsterdamse grachten kunnen zeer groot van schaal zijn omdat de huizen allen anders zijn waardoor het beeld levendig blijft. Deze relatie tussen de kleinschalige thematische variatie en de grootschalige stabiliteit berust op de aanwezigheid van verschillende niveaus van interventie. Waar het kind zijn eigen kamer kan inrichten, de bewoner zijn eigen huis kan bouwen, de buurt zijn eigen pleinen kan besturen en de stad zijn eigen infrastructuren kan beheren ontstaat een levend organisme dat zichzelf in stand houdt door voortdurende verandering op alle niveaus, maar met de hoogste frequentie op de lagere niveaus.
Er is niets in ons zelfbeeld dat ons met deze organische dynamiek vertrouwd doet zijn. Integendeel, het ideaal van de architectuur, zoals doorgegeven door de moderne meesters, is ontwerpcontrole van stoel tot stad. Het beste is als we alles kunnen ontwerpen. Zo liep ik eens met een van de partners van Skidmore Owings en Merrill door downtown Chicago om hun gebouwen te zien terwijl de avond viel. Hij excuseerde zich toen bleek dat in een skyscraper de lichten binnenin een willekeurig patroon vertoonden omdat de gebruikers hun eigen interieurs hadden ontworpen. Het was beter geweest, zo legde hij uit, als het bureau alles in de hand had kunnen houden. Dus vragen wij ons niet af hoe de niveaus in de hedendaagse stad het beste zouden kunnen werken en hoe zij architectonische expressie zouden kunnen krijgen. Met deze achtergrond zijn wij niet alleen slecht uitgerust om ons met de alledaagse omgeving bezig te houden, maar missen we ook de vaardigheden en kennis die nodig zijn om dat doeltreffend te doen. De ontwerptechnische kennis en kunde die wij nu horen op de scholen en in de bureaus is primitief vergeleken met de complexiteit van de gebouwde omgeving. Geen vermogen tot thematiek, noch tot verandering over de tijd, noch tot verdeling van ontwerpvaardigheden op verschillende niveaus van interventie. Geen wonder dat we ons in de opleiding het meest thuis voelen met het ontwerpen van de villa of de bungalow, of dan in ieder geval een vrijstaand gebouw met duidelijk programma dat je zelf in de hand kunt houden. Het beeld van het vak is dus statisch in een dynamische wereld. Dat wil niet zeggen dat we heel ingewikkelde architecturen kunnen zien zoals van Gehry, Eisenman, Hadid. Maar dit is een symbolische complexiteit die niets te maken heeft met de complexiteit van de levende alledaagse omgeving. De laatste is altijd economisch en praktisch, en verandert in de tijd. Het architectonische trapezewerk is altijd statisch in de tijd, oneconomisch en opzettelijk niet-thematisch.

Vragen
De idee van scheiding van drager en inbouw is geboren uit een verlangen om de thematische dynamiek van de alledaagse omgeving te verzoenen met de onvermijdelijke schaalvergroting van de hedendaagse wereld. Het grote project van vandaag is van een zelfde orde van grootte als de antieke stad. Een paar duizend bewoners. De eerste wordt nog steeds behandeld als een groot ontwerp. De laatste was een hele wereld vol kleinschalige variatie en orde maar met onmiskenbare identiteit als geheel. Het onderzoek van de Stichting Architecten Research was een poging om de ontwerper werktuigen te geven die voor het doeltreffend werken aan de alledaagse omgeving nodig zijn. Hoe kun je een groot gebouw ontwerpen zonder dat je weet wat er in gebeuren zal? En toch weten dat het goed zal gaan? Hoe kun je ontwerpverantwoordelijkheden verdelen tussen ontwerpers opererend op verschillend niveau? Hoe kun je thematisch aspecten laten bijdragen tot een oplossing? Deze vragen heb ik meegenomen naar MIT en daar in mijn onderwijs verder doorgewerkt in meer algemene zin. Het resultaat was een cursus: "Thematic Design" geheten. Maar dat is een apart onderwerp. Het idee van scheiding van drager en inbouw gaf ook aanleiding tot vragen betreffende de gebouwde omgeving als geheel gezien vanuit het perspectief van gedeelde verantwoordelijkheden:
  1. Als de complexe gebouwde omgeving gezien kan worden als samengesteld uit verschillende niveaus van interventie - meubilering, inbouw, drager, stedelijk weefsel, etc.- Wat betekent dat dan? Hoe werken die niveaus? Zijn ze altijd hetzelfde of kunnen we in verschillende culturen ander niveauverdelingen waarnemen?
  2. Hoe is de scheiding van verantwoordelijkheden ruimtelijk te zien? Is er sprake van een territoriale structuur van gebieden die onder controle zijn van verschillende partijen? Zo ja, hoe werkt zo'n territoriale structuur dan en hoe verhoudt hij zich tot de eerder genoemde niveaus?
  3. Als we dan via territoir en niveau de gebouwde omgeving beheren, hoe is dan de thematische coherentie van stijlen en voorkeuren te verklaren. Hoe werken sociale conventies en afspraken en hoe verhouden ze zich tot typen, patronen, en systemen? Deze vragen hebben mij lang bezig gehouden en hebben tenslotte geleid tot een boek.
De voorbeelden van recente actie zoals hier in het begin gegeven - de bouw van dragers, de internationale uitwisseling van open bouwen, de juridische bijstelling van verantwoordelijkheden - zijn evenzoveel tekenen van een geleidelijke transformatie van de eigentijdse gebouwde omgeving. Van de starre massawoningbouw naar het open bouwen. Het is een langzaam en complex proces, maar voor degenen die er bij betrokken zijn een fascinerende opgave die allerlei nieuwe perspectieven biedt: ook architectonisch gezien. Maar tot nu toe gaat deze ontwikkeling goeddeels voorbij aan de architectonische gemeenschap. Daar is het gesprek in een andere richting gegaan. Het is gericht op stijl, op zelfexpressie, op originaliteit. Zaken die niet langer interessant zijn. Het vak is noodzakelijkerwijs conservatief. Gebonden aan wat nu, in de vigerende technologie en de erkende krachtsverhoudingen mogelijk is. Daaraan morrelen, zoals van der Werf doet, is vol risico. Zolang opdrachtgevers er niet naar vragen is het beter er niet op aan te dringen. De discussie over de gebouwde omgeving als geheel is geen architectonische discussie meer. De vernieuwingen komen van de kant van de economie en management na de privatisering van de woningbouwverenigingen, en in de technologie door de wijzigende krachtsverhoudingen tussen industrie en bouwbedrijf zoals hierboven al genoemd. In tegenstelling tot de zestiger jaren verwacht men hier van de architect geen bijdrage meer, en ook geen standpunt. Daarbij komt dat de open bouwen benadering vaak als architectuurvijandig wordt ervaren omdat het niet past in het traditionele zelfbeeld van de architect. Verdeling van ontwerp niveaus is bedreigend. Verandering in de tijd is verwarrend. Thematische continuïteit geeft geen prestige. Beslissingen aan bewoners overlaten is een inbreuk op het professionele domein. Hoewel het alledaagse onderwerp is van bijna al ons werk, is het als filosofisch en theoretisch concept niet aantrekkelijk en daarom genegeerd. Bestudering van de woningbouw is dus een problematische bezigheid. Want zonder het vraagstuk van het alledaagse te onderkennen is het een triviale activiteit. Maar met herkenning van het alledaagse wordt de rol van de architectuur fundamenteel aan de orde gesteld.

Reageren? Eerst inloggen of aanmelden. Klik hier om aan te melden
vacatures
we zoeken naar enkele columnisten en redactieleden, heb je interesse? lees verder
random artikel
reclame
Stichting Eindhovenseschool.net - Kvk Oost-Brabant 17169485 - contact [email] - poweredby © e107.org - implementation by © evanderfeesten.nl
all content is © their respective owners - Our news can be syndicated by using these rss feeds: rss1 - rss2 - rdf
Render time: 0.2725 second(s); 0.1412 of that for queries.