Stichting Eindhovenseschool.net geeft een zichtbaar en inhoudelijk gezicht aan architectuur, design en aanverwante disciplines in regio Eindhoven. Het streeft naar een herkenbaar en inzichtelijk archief van onder andere gebouwde projecten en theoretische verkenningen. Het is het centrale netwerk waar architecten en andere vormgevers zich kunnen voorstellen en presenteren en slaat een brug tussen studenten, de beroepspraktijk en geïnteresseerden.
De Architectuur van de Transgressie
De invloed van Georges Bataille op het werk van Wim Cuyvers
door Rick ten Doeschate auteurslijst op vrijdag 02 maart 2007 e-mailen van het content onderwerp afdrukken van het content onderwerp reacties: 0 hits: 10699
 8.5 - 2 stemmen -

Een veelgehoord probleem voor studenten binnen architectonisch-theoretische projecten is de relatie die ze moeten leggen tussen het theoretische deel en het uiteindelijk praktische architectonische ontwerp¹. Beide gebieden ontketenen genoeg enthousiasme maar de koppeling tussen de twee veroorzaakt complicaties. In dit essay probeer ik hiervoor een oplossing uit te denken door middel van het onderzoeken van de relatie tussen de Belgische architect Wim Cuyvers en de filosoof Georges Bataille. Het ontdekken van het werk van Bataille deed mijn interesse voor de filosofie vergroten. Zijn behandeling van de dood, geweld en erotiek wekken tegelijkertijd aversie en fascinatie op. Mijn wens deze theorieën te combineren met architectonische ideeën deed me uitkomen bij Cuyvers. Cuyvers’ werk beoogt ons te confronteren met onze sterfelijkheid en maakt om die reden gebruik van het werk van Bataille.
Het eerste deel van het onderzoek vormen een biografie van Bataille en een samenvatting van zijn filosofische theorieën en de rol van architectuur daarbinnen. Een onderzoek naar de architectuur van Cuyvers en zijn filosofische/literaire inspiratiebronnen zijn de laatste stappen op weg naar de onderzoeksvraag van dit essay: Op welke manier past de architect Wim Cuyvers de filosofie van Georges Bataille toe en wat voor uitwerking heeft dit?

Korte biografie
Bataille werd op 10 september 1897 geboren in Billom (puy-de-Dome). Zijn vader was een blind geworden syfilislijder en deze maakt de huiselijke situatie met zijn gehuil en getier onmogelijk. Bij de inval van de Duitsers in 1914 laten moeder en zoon hem achter. Georges zelf word niet naar het front gestuurd omdat hij leidt aan de tuberculose; de ziekte die hem zijn hele leven zal blijven terroriseren en hem uiteindelijk zal doen sterven.
Als protest tegen zijn ongelovige vader bekeerd Bataille zich in 1914 tot het katholicisme. In 1918 zegt hij zijn pas geworden roeping als seminarist alweer voorbij. Religie blijft altijd een belangrijke rol spelen in zijn leven evenwel dan in ‘atheologische’ vorm; als datgene wat de mens buiten zichzelf brengt. Bataille besluit zich aan de literatuur te wijden en wordt leerling bibliothecaris in Parijs. Tijdens een studieverblijf in Madrid ziet hij de jonge torero Manuelo Granero zijn oog uitgestoten worden. Het feit dat de dood niet alleen afschuw maar ook fascinatie bij het publiek veroorzaakt zal hem blijven bezighouden.
In zijn intellectuele zoektocht spelen vooral Nietzsche, Freud, Hegel en Dostojevski een belangrijke rol. Bataille publiceert zijn eerste boek Histoire de l’oeil in 1927 en vanaf dat moment stort hij zich volop in het literaire leven. Hij sticht tijdschriften als documents (1929) en critique (1946), publiceert romans als le blue de ciel (1957) en filosofische werken als L’experience interieure(1943) en sur Nietzsch. Zijn grote belangstelling voor de kunst vindt in 1955 zijn weg in een tweetal studies: Manet en La peinture préhistorique. Lascaux ou la naissance de I'art. Bataille brengt zijn theoretische geschriften in de praktijk door een vreedzaam dagleven te combineren met een roerig nachtleven in bars en bordelen. Bataille sterft op 8 juli 1962.
Batailles filosofie heeft tijdens zijn leven weinig invloed. Sartre valt zijn l’experience interieur bijvoorbeeld frontaal aan en bestempeld het als het werkstuk van ‘een nieuwe mysticus’. Na zijn dood wordt zijn werk omarmd door de nieuwe Franse structuralistische filosofen en heeft het grote invloed op denkers als Jacques Derrida en vooral Michel Foucault.

Batailles filosofie
Het is wellicht riskant Batailles bewust in stand gehouden wanorde te omschrijven in een heldere uiteenzetting. Bataille verwerpt immers het poneren van universele waarheden resoluut en zijn werk is om die reden per definitie onvoltooid. In het kader van dit essay wil ik echter een noodzakelijk poging wagen.
Batailles werk reageert in belangrijke mate op het werk van Hegel. Bataille zet zich af tegen het idee dat de wereld in een sluitend, Hegeliaans denkmodel te vatten is. Hegel besefte bij het voltooien van zijn fenomenologie dat hij een systeem had ontworpen waar niets buiten viel, behalve de dimensie van ‘buiten’ zelf. De afsluiting van het systeem zal altijd inhouden dat het systeem twee kanten heeft. Bataille gelooft hier derhalve niet in en ziet het als zijn taak deze verduistering te onthullen.
Hij bouwt zijn werk op rondom twee sferen. De grondslag daarvan vormt de tegenstelling homogeen-heterogeen die hij ook wel omschrijft als profaan-sacraal, discontinu-continu, Geïnspireerd op Nietzsche zegt Bataille dat de werkelijkheid een voortdurend voortvloeiende continue stroom is. Dingen of wezens hebben geen einde en dus geen echt werkelijk bestaan. Binnen deze wereld heeft de mens echter met het denken een kunstmatige, discontinue wereld geschapen in een begrijpelijk statisch, rationeel systeem; de homogene orde. Het is volgens Bataille het moment in de geschiedenis geweest waar de mens zich van het dier heeft onderscheiden. De wereld is door middel van regels bewerkbaar en vooral ook leefbaar geworden. De homogene orde is gericht op productie en nut.
De homogene orde kan alleen bestaan bij de gratie van de uitsluiting van alles dat niet aan de wetten beantwoord en niet tot homogeniteit reduceerbaar is; de heterogene orde. Het ‘niet te bevatten’ of heterogene, werd door de mens altijd toevertrouwd aan het geloof. Bataille weigert echter deze religieuze troost, die de onmacht van het denken moet compenseren. Onder de heterogene orde vallen onder meer; het obscene, irrationele, criminele, perverse, waanzinnige en de verspilling; kortom het geweld. Anders dan de meeste moderne, door de verlichtingsidealen beïnvloede denkers, doet Bataille het geweld niet af als marginaal maar denkt hij het juist als positief. Het gaat echter niet om geweld omwille van het geweld. Ook Bataille erkent de noodzaak van regulering. Een dergelijk verbod impliceert echter direct ook de overschrijding ervan: de transgressie. De grensoverschrijding veroorzaakt namelijk ambivalente gevoelens; het wekt afschuw maar fascineert ook; het is verleidend. Om die reden zijn we aan het geweld gebonden. De grensoverschrijding is nodig omdat ‘wanneer de het geweld niet meer gereguleerd wordt door middel van het overschrijdingprincipe, deze het karakter van een catastrofale, volledig gedisciplineerde vernietiging krijgt.’² Het transgressiegeweld is dus relatief georganiseerd en gereguleerd.
Bataille ziet deze transgressie als de weg naar de waarheid. Steeds wanneer iemand zich te buiten gaat aan een transgressie of exces verliest diegene zijn autonomie en gaat hij op in de bredere continue stroom. De tragiek van het Hegeliaanse denkmodel bevindt zich in dit spanningsveld. De heterogeniteit kan wel worden vermoed maar nooit worden begrepen omdat daarmee het denken zich zou moeten opheffen. De opheffing van de scheiding tussen de discontinue ‘ik’ en het continue ‘andere’ kan alleen de dood van het ik betekenen. Dit betekent niet dat deze dood duurzaam moet zijn; we kunnen ons kortstondig verliezen in een geweldsexplosie en op die manier de continuïteit, de dood, het heterogene en dus eigenlijk de waarheid, relatief gecontroleerd ervaren.
Ook de erotiek valt onder deze beschrijving. Volgens Bataille is erotiek het verspillende bovenop de functionele seksualiteit. Het orgasme verwijst naar de dood. De fransen noemen het ‘le Petit mort’. Op het moment van het orgasme verliest men een kort moment de controle en staat men in contact met het continue en op die manier met de doodservaring. Deze staat echter altijd een weg terug. ‘De overschrijding vereist een terugkeer naar de orde van de verboden.’³
Volgens Bataille staat de mens ook via de kunst in contact met het heterogene. De kunst verandert de homogene (want op productie en nut gerichte) arbeid weer in het heterogene (want verspillende) spel. Batailles boek De tranen van Eros begint met een schilderij van Caron: de dood van Semele. In de mythe sterft Semele, een aardse geliefde van Zeus, doordat ze wordt verblind door de gewenste aanblik van zijn ware gedaante. Zeus redt het kind; de god Dionysos. Bataille stelt dat, zoals Zeus aanblik Semele verblindde, zo de aanschouwing van het heterogene ons verblindt. De blindheid opent ons echter de ogen voor een onmogelijke wereld waarvan de grenzen door de bliksem van de goden worden getrokken. ‘Precies zo heeft Foucault ooit de transgressie omschreven: de transgressie (…) is misschien zoiets als een bliksemflits in de nacht die, vanuit de diepte van de tijd, een diepzwarte intensiteit verleent aan de nacht die ze.‘4
Bataille brengt zijn filosofische theorieën zelf in de praktijk door middel van zijn teksten. Zijn teksten zijn niet alleen filosofische beschouwingen maar ook werkelijk voorbeelden van transgressie. In zijn werk verglijden betekennissen en verschuiven perspectieven. De teksten doen zichzelf steeds geweld aan en verzanden in paradoxen. Dit getuigt echter niet van theoretische onmacht maar maakt volgens Henk Oosterling deel uit van zijn strategie van de verleiding: ‘Deze parodie, deze ‘vrolijke wetenschap’ roept ons via de verbeelding op tot een ervaring (…) Het gaat Bataille dan niet om een bewijs dat de lezer zou moeten accepteren, maar om een verleiding, die in de fascinatie met het smerige ligt.’5 Vorm en inhoud zijn bij Bataille dus op een vreemde manier met elkaar verstrengeld. Door zijn schrijfwijze wordt de ervaring opgeroepen van dat wat hij beschrijft. Inzicht in zijn teksten vind dus niet plaats door middel van begrip maar door middel van ervaring.

Architectuur in het werk van Bataille
Dennis hollier bracht in zijn boek ‘against architecture’ onder de aandacht dat architectuur binnen het denken van Bataille een centrale plaats inneemt. Bataille ziet architectuur in onze maatschappij als een symbool voor de homogene orde. ‘architecture is the expression of every society’s very being’.6 In architecturale composities worden echter volgens Bataille alleen de ideale maatschappijen, degene die wetten met autoriteit uitvaardigen, uitgedrukt. Monumenten worden ingezet om sociaal goed gedrag en angst te veroorzaken (iets waar ook Foucault de architectuur van beschuldigd). Architectuur is dus niet alleen de uitdrukking van de maatschappelijke orde maar ook datgene wat die orde in stand houdt. Bataille ziet niet de hut, of de tempel als de markering van de oorsprong van de architectuur, maar de gevangenis. De gevangenis drukt immers het beste de bekrompen aard van onze rationele maatschappij uit.
Als tegenhanger van deze homogene architectuur, die hij ook wel als de piramide omschrijft, stelt Bataille de irrationele ervaring van het labyrint. Het labyrint ziet Bataille als het synoniem voor de architectuur als ‘zintuiglijke ervaring en een ruimtelijke praxis’7 en daarmee voor de continu stromende heterogene werkelijkheid. De overschrijding van de grens tussen de homogene architecturale orde van de piramide en de heterogene orde van het labyrint werkt erotiserend. Dit omdat deze transgressie angst maar ook fascinatie opwekt.
De dood speelt ook een belangrijke rol in Batailles visie over architectuur. Voor hem is het slachthuis een plaats waar mensen met het heterogene in aanraking kunnen komen. De vervanging van de slachthuizen voor schone parken (Haussmann in Parijs van 1850) is een symbool van de verbanning van de dood: ‘tegenwoordig zijn slachthuizen vervloekt en in quarantaine (…) De slachtoffers van deze vloek zijn noch slagers noch beesten, maar dit fijne volk dat niet langer zijn eigen onbehoorlijk kan doorstaan’8
Bataille stelt in zijn definitie van architectuur in het tijdschrift documents dat de mens eigenlijk een tussenvorm is tussen de aap en grote bouwwerken. ‘Evenzo heeft de menselijke orde van het begin af aan een sterkte samenhang gekend met de architecturale orde, die slechts de ontwikkeling van de eerste is.’9 En dus geldt: ‘if one attacks architecture, (..) one is, as it were attacking man.’10 Dit is een reflectie van zijn filosofische ideeën: om in aanraking te komen met de heterogene waarheid zul je eigenlijk moeten sterven.
Bataille trekt lijnen tussen de architectuur en de manier waarop een tekst wordt opgebouwd. Hij merkt op dat het idee van een boek (met hoofdstukken en subhoofdstukken, kortom een structuur) gelijktijdig ontstond met de kathedraal. Het plan is van groot belang geworden ‘one must make use of it in order tot erase it’.11 Inzicht in Batailles teksten vindt plaats door middel van de ervaring van het lezen. Dit is reeds gezegd. Omdat Bataille parallellen trekt tussen architectuur en tekst, tussen architectuur en filosofische theorie en tussen tekst en filosofische theorie, ontstaat er een enorm complex en interessant spel tussen filosofische theorie, tekstuele vorm en architectuur. Het feit dat je door ervaring een filosofische theorie kan begrijpen biedt enorme mogelijkheden voor de architect. Bernard Tschumi refereert rijkelijk naar Bataille in zijn tekst architectuur en transgressie uit 1976. De analyse van het werk van de Belgische architect Wim Cuyvers maakt echter nog beter duidelijk hoe de theorieën van Bataille kunnen worden gebruikt als inspiratiebron voor een architectonische strategie.

Wim Cuyvers
Mijn architectuur zal een zoektocht zijn naar ‘le temps perdu’ (…) Een queeste naar die periode waarin gewenning het leven nog niet had afgekeerd van zijn eindbestemming: de dood. (…) Mijn architectuur wil het verduisterde, provisoire aspect van het leven van onder de lagen stof van de socialisatie uithalen en dit magnifieke, schitterende kortstondige leven tonen.12

De Belgische architect Wim Cuyvers is niet op zoek naar esthetiek of functionaliteit. Hij wil mensen in zijn architectuur echt iets laten ervaren; ‘de verduisterde, provisoire kanten van het leven’. ‘le temps perdu’ is niet zomaar de Franse vertaling van ‘de verloren tijd’. Dat het een gedeelte is de titel van de beroemde reeks van Marcel Proust, is geen toeval. Voor Cuyvers is er een duidelijke samenhang tussen literatuur en architectuur. Cuyvers tracht in casestudies te reconstrueren hoe ruimtes van bepaalde romans er in werkelijkheid uit zouden zien en put inspiratie uit eigenlijk alle grote romans.
Een voorbeeld van zo’n inspiratiebron is la poetique de l’espace, hierin stelt Gaston Bachelard dat de kelder de locatie is van ‘het aardse, sensuele, het erotische en niet in de laatste plaats de dood.’ De angst voor de kelder is in hoge mate synoniem met de angst levend begraven te worden. Het is echter juist deze plek die volgens Bachelard de meeste dromen doet opwekken en daarmee van grote waarde is voor een huis. (Cuyvers atelier is dan ook gevestigd in de kelder van zijn huis). Volgens Bart Lootsma is het gebrek aan durf om de kelder te betreden - de vlucht in het rationele - kenmerkend voor onze moderne cultuur en architectuur en is het precies hier dat het werk van Wim Cuyvers aangrijpt. Een onderwerp dat hem duidelijk in relatie brengt met Bataille.
Cuyvers komt in aanraking met het werk van Bataille omdat hij uit zijn interesse voor grotten (Cuyvers is in zijn vrije tijd speleoloog) Batailles studie over de grotschilderingen in Lascaux leest. Cuyvers raakt gefascineerd door Bataille en neemt zijn werk zelfs op in zijn ontwerpstrategie. In zijn manifest Architectuur een necrofiel plezier schrijft Cuyvers dat binnen de architectuur van vandaag teveel de nadruk komt te liggen op het nutsaspect. Deze benadering van de architectuur leidt echter volgens Cuyvers tot een impasse. Hij pleit voor een andere strategie. De strategie die de spelregels en taboes van de maatschappij erkent, maar dan vooral om ze te kunnen doorbreken en overschrijden.
In zijn ontwerpen zoekt Cuyvers de wetten en regelgeving nadrukkelijk op. Hij omzeilt ze expres niet want hij heeft ze nodig om, in de geest van Bataille, ze te overschrijden en perverteren. Volgens Lootsma kan hij alleen zo bereiken dat zijn overtredingen echt werkzaam zijn. In 2005 ontvangt Cuyvers om die reden de cultuurprijs voor de architectuur in België. De jury prijst hem voor zijn kwaliteiten om een banale opdrachtsituatie om te vormen tot een project dat ‘verschillende associatiemogelijkheden bespeelt en als het ware de primaire betekenissen van de architectuur aftast.’13 De transgressie speelt niet alleen een rol in de manier waarop Cuyvers zijn ontwerpen zelf aanpakt, maar ook op de wijze waarop de bewoners hun persoonlijke driften en verlangens gestalte kunnen geven in zijn ontwerpen.
Cuyvers’ streven de mens met zijn sterfelijkheid te confronteren lijkt hij ook aan Bataille te ontlenen. In een essaybijdrage aan de ideeënprijsvraag ‘uitvaartcultuur als ontwerpopgave’ zet hij - analoog aan de wijze waarop Bataille de verbanning van de slachthuizen beschrijft – uiteen, hoe de begraafplaatsen naar de periferie van de stad zijn verbannen en hoe we zo een onlosmakelijk deel van ons leven lijken te willen verduisteren. ‘Ik wil nadenken over wat er kan gebeuren, wanneer we én de werkelijk publieke ruimte én de dood aan de stad teruggeven’14
Een simpele gevolgtrekking zou kunnen leiden tot de gedachte dat Cuyvers werk zich laat karakteriseren door complexe vormen om bestaande vormregels te doorbreken. Cuyvers is hier echter in het geheel niet in geïnteresseerd. Cuyvers streven de dood weer bij het leven te trekken zou kunnen duiden op een relatie met het architectonische werk van de Oostenrijkse kunstenaar Hermann Nitsch. Net zoals Bataille en Cuyvers meent hij dat het wegdrukken van de dood uit ons dagelijks leven ons niet leert omgaan met de dood en dit alleen maar zal leiden tot uitbarstingen van geweld en oorlog. Cuyvers werk is echter nuchterder dan het grote onderaardse complex van Nitsch’ orgien mysterien theater waarin rituele slachtingen plaats zouden kunnen vinden om de verdringende tendens in de samenleving te compenseren. Cuyvers wil ons juist confronteren door de dood veel alledaagser te maken. Een vergelijking met Adolf Loos lijkt treffender. Loos schrijft in architectur: ‘Als wij in het bos een heuvel van zes voet lang en drie voet breed vinden, met de spade in piramidevorm opgericht, dan worden wij ernstig en iets zegt ons: hier ligt iemand begraven. Dat is architectuur’15
Aan de hand van een aantal project voorbeelden wordt duidelijk hoe Cuyvers de dood en de transgressie toepast. Een van de meest treffende voorbeelden is Cuyvers plan voor een stedenbouwkundig project in Gent uit 1992. In de wijk wonen vooral turken en op deze plek was de verdringing van de dood extra schrijnend. In 1992 waren er in België nog geen islamitische begraafplaatsen en gestorvenen moesten dus direct na het overlijden overgevlogen worden naar Turkije. Het rouwen is voor de islamitische maatschappij zeer belangrijk. Cuyvers vroeg zich af hoe deze gemeenschap ooit zou kunnen integreren, als ze niet eens hun doden in België konden begraven en bezoeken. Cuyvers’ ontwerp biedt ruimte aan een begraafplaats midden in de wijk. De woningen hebben uitzicht op deze begraafplaats en de moskee. De woningen zijn een soort casco’s waarin de bewoners worden uitgenodigd ze van accenten te voorzien. Op die manier wordt het normenafwijkende gedrag van de bewoners opgenomen in de structuur van de stad.
In het reeds genoemde essay voor de ideeënprijsvraag ‘uitvaartcultuur als ontwerpopgave’ doet Cuyvers het voorstel alle straatstenen te vervangen voor grafstenen om zo de doden weer op te nemen in de stad en de openbare ruimte van de begraafplaats terug te geven. ‘Ik poneer een manifest om de (stedelijke) openbare ruimte over te dragen aan de doden door haar vrij te geven voor eeuwigdurende concessies voor het begraven.’16
Ook in zijn verbouwingen confronteert Cuyvers ons met de dood. Zoals in zijn aanpassing van een herenhuis in Gent. Hij ontwierp daar de badkamer als een referentie naar het schilderij de dood van marat van Jacques Louis David. Het bed in de slaapkamers is een arduinen bed als een grafsteen en de ramen zijn aan het zicht ontrokken met zwarte schermen die van gaatjes zijn voorzien voor een tombeachtig effect.

Conclusie
Het theoretische en architectonische werk van Wim Cuyvers toont aan hoe een architect de ideeën van een filosoof kan toepassen. Cuyvers ontsnapt aan de val Batailles werk letterlijk te vertalen in vorm en gaat veel meer op zoek naar de essentie van zijn filosofie. Cuyvers bereikt zijn doel: de confrontatie met de sterfelijkheid accentueren om zo ‘dit magnifieke, schitterende kortstondige leven te tonen.’17 Dit doet hij op dezelfde manier als Bataille zijn doel bereikt. Inzicht in Batailles teksten vind niet plaats door middel van begrip maar door middel van ervaring. Door zijn schrijfwijze wordt de ervaring opgeroepen van dat wat hij beschrijft. Cuyvers bewerkstelligt dit op eenzelfde manier. Inzicht in zijn architectuur vindt niet plaats door middel van begrip maar door de ervaring die de architectuur veroorzaakt. Cuyvers’ ontwerpen wekken soms verontwaardiging en afschuw op (zoals zijn plan voor het plaatsen in grafstenen in alle straten) maar fascineren tegelijkertijd ook. De ervaring van deze excessen maakt zijn strategie van de transgressie duidelijk en confronteert ons met onze sterfelijkheid. In andere plannen is zijn strategie directer; de begraafplaats midden in de stedenbouwkundige wijk in Gent confronteert bewoners direct met hun eigen sterfelijkheid. Maar ook hier de strategie er een van ervaring.
Wim Cuyvers maakt met zijn architectuur de relevantie en betekenis van Batailles geschriften opnieuw duidelijk. Hij maakt dus niet alleen gebruik van de inspanningen van Bataille maar geeft daarvoor ook echt iets terug. Dit doet hij op een manier die trouw is aan Batailles theorieën; Hij verwerpt het bestaan van de homogene orde niet maar werkt grensoverschrijdend binnen de bestaande regels en wetten om ons te confronteren met onze eigen sterfelijk en zo het schitterende, kortstondige leven te tonen.


Noten

1. Dit baseer ik op eigen ervaring, op de gesprekken die ik met medestudenten heb en op de informatie die ik van begeleiders krijg.
2. Oosterling, de opstand van het lichaam. pp. 86
3. Oosterling, de opstand van het lichaam. pp. 97
4. Foucault in Oosterling de opstand van het lichaam. pp. 107
5 Oosterling, de opstand van het lichaam. pp.78
6 Bataille in Hollier, against architecture. pp. 9
7. Bataille in Heynen, Dat is architectuur. pp. 183
8. Bataille in Hollier against architecture . pp. 13
9. Bataille Heynen, Dat is architectuur. pp. 184
10. Bataille in Hollier against architecture. pp. 52
11. Bataille in Hollier against architecture. pp. 46
12. Cuyvers in catalogus tentoonstelling Cuyvers. pp. 34
13. Juryrapport op een site, even opzoeken dus
14. Cuyvers in uitvaartcultuur als ontwerpopgave. Pp. 25
15. Adolf Loos in Heynen. Dat is architectuur. pp. 62
16. Cuyvers in catalogus tentoonstelling Cuyvers. pp. 26
17. Cuyvers in catalogus tentoonstelling Cuyvers. pp. 134


Bronnen

  • Bataille, G (onder pseudoniem: LordAuch) [1928] 1995 Het oog. Antwerpen: Uitgeverij Kritak NV
  • Hollier, D [1974] 1989 Against architecture: the writings of Georges Bataille. Athens, Georgia: Graphic composition Inc.
  • Cuyvers, W e.a. (1995) catalogus tentoonstelling Cuyvers in deSingel. Antwerpen: deSingel
  • Oosterling, H (1991) ‘George Bataille biografie’, in: Kritisch denkerslexicon. Alphen a/d Rijn: Samson, p.1-16
  • Oosterling, H (1989) De opstand van het lichaam, over verzet en zelfervaring bij Foucault en Bataille. Amsterdam: uitgevrij SUA
  • Burg, van der, Ineke en Meijers, Debora (red). Bataille: kunst, geweld en erotiek als grenservaring. Amsterdam: uitgeverij SUA.
  • Loos, Adolf (1910) ‘architektuur’, in: Heynen, Hilde e.a. (2004) ‘Dat is architectuur’ sleutelteksten uit de twintigste eeuw. Rotterdam: uitgevrij 010, pp 58-62:
  • Loos, Adolf (1910) ‘Ornament en misdaad’, in: Heynen, Hilde e.a. (2004) ‘Dat is architectuur’ sleutelteksten uit de twintigste eeuw. Rotterdam: uitgevrij 010, pp 63-66:
  • Bataille, Georges (1929) ‘Architectuur’, in: Heynen, Hilde e.a. (2004) ‘Dat is architectuur’ sleutelteksten uit de twintigste eeuw. Rotterdam: uitgevrij 010, pp 183-184:
  • Tschumi, Bernard (1976) ‘architectuur en transgressie’, in: Heynen, Hilde e.a. (2004) ‘Dat is architectuur’ sleutelteksten uit de twintigste eeuw. Rotterdam: uitgevrij 010, pp 491-496:
  • Tschumi, Bernard (1991) ‘gebeurtenis-architectuur’, in: Heynen, Hilde e.a. (2004) ‘Dat is architectuur’ sleutelteksten uit de twintigste eeuw. Rotterdam: uitgevrij 010, 609-612
  • Foucault, Michel (1967) ‘over andere ruimten’, in: Heynen, Hilde e.a. (2004) ‘Dat is architectuur’ sleutelteksten uit de twintigste eeuw. Rotterdam: uitgevrij 010, pp 391-395
  • Groot, G (2003) Vier ongemakkelijke filosofen, Nietzsche, Cioran, Bataille, Derrida. Amsterdam: Uitgevrij SUN
  • Hekkema, H (2002) Uitvaartcultuur als ontwerpopgave, een ideeënprijsvraag. Groningen: Tienkamp & Verheij
  • Lustenberger, K (1994) Adolf Loos. Zurich: Artemis Verlags
  • Cuyvers, W (1999) Visies en Verhalen. Roteerdam: NAi
  • Bachelard, G [1958] 1994 poetics of space. Boston: Beacon Press
  • Vlaams architectuur instituut (2005) ‘cultuurprijzen vlaanderen’, [link] Url bezocht op 10 november 2006

Reageren? Eerst inloggen of aanmelden. Klik hier om aan te melden
vacatures
we zoeken naar enkele columnisten en redactieleden, heb je interesse? lees verder
random artikel
Journalisme
Bas Römgens
reclame
Stichting Eindhovenseschool.net - Kvk Oost-Brabant 17169485 - contact [email] - poweredby © e107.org - implementation by © evanderfeesten.nl
all content is © their respective owners - Our news can be syndicated by using these rss feeds: rss1 - rss2 - rdf
Render time: 0.4221 second(s); 0.3334 of that for queries.