Stichting Eindhovenseschool.net geeft een zichtbaar en inhoudelijk gezicht aan architectuur, design en aanverwante disciplines in regio Eindhoven. Het streeft naar een herkenbaar en inzichtelijk archief van onder andere gebouwde projecten en theoretische verkenningen. Het is het centrale netwerk waar architecten en andere vormgevers zich kunnen voorstellen en presenteren en slaat een brug tussen studenten, de beroepspraktijk en geïnteresseerden.
Obsession with the Object
door Fokke Ypma auteurslijst op maandag 22 januari 2007 e-mailen van het content onderwerp afdrukken van het content onderwerp reacties: 0 hits: 4575
niet beoordeeld -

Onderwerp
"I fully agree with your observation of the privileging of the object today. The Obsession with the object is part of the nature of our materialist and fetishist culture as well as the ideas of commodity and possession"
Juhani Pallasmaa in Thought, Matter and Experience, a conversation with Steven Holl

Opzet is een onderzoek te verrichten naar deze "Obsession with the object" binnen de moderne architectuur in relatie tot onze westerse
consumptiemaatschappij en de filosofie die hieraan ten grondslag ligt, om vervolgens te kijken hoe we hier in de architectuur mee om zouden kunnen gaan.

Inleiding
De menselijke obsessie met het object vindt zijn grondslag in de cultuur waarin wij leven, namelijk een kapitalistische consumptie maatschappij met een sociale ondertoon. Ten westen van ons is dit kapitalistische aspect meer dominerend, in de Verenigde Staten heeft negentig procent van de bevolking alleen nog de ambitie te bezitten wat anderen bezitten. Ten oosten van ons, vooral in de voormalige Sovjet Unie, is inmiddels de socialistische ideologie bijna volledig uit de politiek verdwenen. Er zijn echter nog wel regeringssystemen met een socialistische ideologie te vinden in onder meer China, Noord-Korea, Laos, Cuba en Vietnam. In de praktijk kan deze socialistische politiek als mislukt worden beschouwd vanwege een vaak sterk bureaucratisch gecontroleerd economisch systeem, maar vooral wegens de ernstige schendingen van de mensenrechten.

De menselijke obsessie met het object is het resultaat van onze materiële culturele geschiedenis. Na het lezen van onderstaande literatuur is het interessant om op te merken dat er een averechts effect is opgetreden tussen ideologie en praktijk.
In het begin van vorige eeuw in Rusland werd binnen de materiële cultuur het modernisme ingeleid binnen de Architectuur. Maatschappelijke doelstellingen werden daarbij vertaald in het ontwerp van het gebouw. Het boek “An Archeaology of Socialism” maakt echter duidelijk dat in de praktijk deze doelstellingen nooit zijn gehaald. In het boek “Dat is Architectuur” wordt in het hoofdstuk “Het functionalisme en zijn schaduw” uiteengezet hoe deze moderne architectuur zich heeft ontwikkeld tot een vormgeving gebaseerd op de synthese tussen vorm en functie, waarbij de ideale vorm optimaal de functie vervult. Hierbij wordt connotatie (gevoelswaarde) uitgesloten en treed alleen nog de denotatie (aanduiding) van vorm naar functie op. In het hoofdstuk “De queeste van de architectuursemiotiek” wordt deze relatie tussen betekenaar en betekenis verder uiteengezet. Duidelijk wordt dat deze relatie niet eenduidig is, evenmin als bij de taal.
Hiermee wordt een belangrijk aspect van de postmoderne filosofie bevestigd.

Baudrillard schept met zijn meesterwerk “The System of Objects” een bewonderenswaardige duidelijkheid in de relatie tussen mens en object. Hij zet uiteen hoe het functionalistisch denken leidde tot een ware politieke economie van het teken. Hij ziet het functionalisme als een vervolmaking van de kapitalistische logica, waarbij alles in een berekeningschema is in te passen. Uiteindelijk slaat het berekenende functionalisme om in design, dat aan de basis ligt van mode en ons obsessief consumptie gedrag. Hoe uiteindelijk de materiële wereld kan domineren in het mensenleven wordt op eigenaardige wijze beschreven in de roman van Perec “Les choses”.

Een socialistische opvatting leidde dus in het begin van vorige eeuw de modernistische architectuur in, wat resulteerde in het functionalistisch denken. Dit functionalistisch denken sloeg om in een berekenend politiek economisch systeem, wat uiteindelijk resulteerde in de consumptiemaatschappij zoals wij die kennen (en die in de Verenigde Staten in veel extremere vorm is waar te nemen). Het nastreven van een gezamenlijk belang veranderde dus in het streven naar eigen kapitaal, waarbij de relaties tussen mensen onderling wordt vervangen door de relatie tussen mens en object.
De vraag is nu of we hierdoor het functionalistisch denken als achterhaald en politiek verkeerd moeten beschouwen, of dat het misschien in het verleden verkeerd is geïnterpreteerd of uitgewerkt ? Nog belangrijker is wat de gevolgen van deze discussie zijn voor mijn eigen ontwerphouding.

Victor Buchli “An Archaeology of Socialism”
Het socialisme streeft naar een maatschappijvorm van gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en solidariteit. De kerngedachte is dat het collectief het meest te zeggen heeft over de verdeling van macht en goederen. Het grote verschil in economische macht tussen arm en rijk zou daarmee worden uitgevlakt, waardoor er een einde komt aan de klassenmaatschappij. Om de gemeenschappelijke belangen te behartigen en sociale en maatschappelijke problemen op te lossen is echter een sterk overheidsingrijpen noodzakelijk. In theorie wordt dit overheidsingrijpen gerealiseerd door bureaucraten die alleen uit gemeenschappelijk belang handelen, in de praktijk bleek dit echter anders uit te pakken.

Het Narkomfin Communal House is het bouwwerk dat centraal staat in dit boek. Het is gebouwd in 1928-1930 en ontworpen door de Constructivistische architect Moisei Ginzburg. De functie van het complex is het huisvesten van de bureaucraten van het Russische Ministerie van Financiën. Dit gebouw wordt gezien als een van de eerste meesterwerken van de moderne architectuur. Het heeft een socialistische ideologie dat zich manifesteert in karakteristieke gemeenschappelijke ruimten voor de commune, zoals een kinderopvang, een eetzaal, een wasserette en ontspanningruimten. Daarnaast bezit het complex een reeks wooneenheden, variëren van traditioneel zelfvoorzienend, tot kleinere wooneenheden zonder keuken, tot aan het extreme voorbeeld van slaapeenheden die alleen een bed bevatten. De maatschappelijke doelstellingen van het gebouw zijn zeer vooruitstrevend. Het gebouw is namelijk ontworpen als een sociale condensator, die de bewoners om zou vormen van individuele, burgerlijke en patriarchale tot gemeenschappelijke, in commune levende, socialistische geëmancipeerde mensen.

Deze doelstelling kreeg architectonische gestalte doordat sociale stimulatie volgde uit de modulatie van volumes, het gebruik van licht en kleur en door het programmatische gebruik van ruimte. De relatie tot de commune was daarbij erg belangrijk. Enkele wooneenheden hadden geen of weinig visueel contact met de commune en waren zelfvoorzienend. Andere wooneenheden waren wel zelfvoorzienend en hadden juist veel visueel contact met de omgeving. Meer gesocialiseerde wooneenheden waren afhankelijk van de voorzieningen van de commune, met als ultieme uitwerking de slaapeenheden, waar dus alle overige activiteiten binnen de commune moesten plaatsvinden.

Na de Russische Revolutie bestond de behoefte een nieuwe wereld op te bouwen, waarbij de kunst toonaangevende richtlijnen zou formuleren. Architecten en kunstenaars richtten zich op een puur mathematische abstractie, die een reflectie moest zijn van de nieuwe dynamische wereld als thuishaven voor de moderne mens. Zij wilden een kunst scheppen die bij die vernieuwde technologische wereld paste, het constructivisme. Daarbij werd bewust afgezien van elke inhoudelijke verklaring en subjectieve uitdrukking. Doorslaggevend is de compositie van de 'technische' geometrische vormelementen en hun verhouding tot elkaar en tot de omringende ruimte.

Buchli hanteert bij de beschrijving van de materiële cultuur een duidelijke postmoderne deconstructivistische logica. Vanuit deze logica kent hij betekenis toe aan de materiële omgeving vanuit zijn subject, plaats en tijd. Zodoende verricht hij een uitgebreid diachronische analyse, en bekritiseerd hij de vaak structuralistische synchronische aanpak van zijn collega archeologen. Tevens bekritiseert hij de moderne architectuur van het Narkomfin door zijn totaliserend effect en de filosofie van de moderne architectuur in het algemeen, wat interessant is in relatie tot ons onderwerp.

Voordat we echter door de bomen het bos niet meer zien is het noodzakelijk even kort enige samenhangende begrippen uiteen te zetten. Deze begrippen zijn namelijk zowel van belang in de discussie die Buchli voert over de betekenisgeving van materiële cultuur als ook de latere discussie over functionalisme en semiotiek in “Dat is Architectuur”. Doordat het ontzettend moeilijk is de begrippen eenduidig te definiëren, worden ze hier gecategoriseerd om in ieder geval duidelijk te maken welke filosofie aan welke architectuuropvatting ten grondslag ligt. Het Constructivisme hangt samen met de Moderne Architectuur en heeft een structuralistisch en functionalistisch denken als basis. Hier tegenover staat het postmodernisme, dat nauw samen hangt met de filosofieën van relativisme en deconstructivisme. Belangrijk is dat het toekennen van betekenis bij het structuralisme eenduidig is en bij het relativisme veelzijdig en afhankelijk van subject, plaats en tijd. Om een beter inzicht te krijgen in beide categorieën is het een bruikbaar instrument om te denken in begrippenparen zoals:
modern versus postmodern, rationaliteit versus emotie, constructivisme versus deconstructivisme, structuralisme versus relativisme, denotatie versus connotatie, grote ideologieën versus kleine individuele interpretaties, denken in eenheden versus gefragmenteerd denken, absoluut versus relatief, homogeen versus heterogeen.

Buchli bekritiseert hier vooral het totaliserende effect van het constructivisme. De basisgedachte is dat maatschappelijke veranderingen kunnen worden gerealiseerd door materiële cultuur conceptueel in te zetten. Vanuit een structuralistische opvatting kon de uitwerking van de conceptuele gereedschappen door rationalisatie en denotatie als eenduidig worden beschouwd. Deze conceptuele gereedschappen werden ingezet op huishoudelijk niveau voor het beïnvloeden van het alledaagse (byt). De kleinburgerlijke haard en de bestrijding daarvan door de modernisten is een centraal thema in de vorming en ondergang van de Sovjet Unie. Het socialistische huishouden diende licht te zijn, ruimtelijk, versierd met bloemen en alleen deze objecten te bevatten die de gezondheid van het lichaam of die van de revolutionaire geest dienden. Overbodige decoratie en ornamentuur werden afgekeurd vanuit het oogpunt van verspilling en hygiëne. Alle objecten die licht wegnamen en stof absorbeerden werden afgeraden. Het socialistische huishouden was extrovert gericht op de commune in tegenstelling tot het voorafgaande introverte patriarchale kleinburgerlijke huishouden. De belangrijkste verschillen in de indeling van het socialistische huishouden ten opzichte van het klein burgerlijke waren de slaapkamer, de eetkamer, de studeerplek en de kinderhoek.

Het bezwaar dat Buchli aantekent is dat conceptuele betekenis persoonlijk is, afhankelijk van tijd, generatie, klasse, graad van mobiliteit, sekse en ambitie en zodoende niet kan worden ingezet voor een algemeen doel. Hij zet deze postmodernistische opvatting kracht bij door de nauwkeurige beschrijving van de geschiedenis van het Narkomfin Communal House, waar de relatie tussen het individu en de huishoudelijke sfeer wordt gekenmerkt door vele tegenstellingen, discontinuïteiten en veelheden aan betekenissen.

Jean Baudrillard “The System of Objects”
Baudrillard zet vanuit een marxistisch en semiotisch referentie kader een interessante theorie uiteen over hoe wij zijn gekomen tot de huidige consumptiemaatschappij.
De eindfase van het traject is een ongelimiteerd stelsel van modieuze combinaties, waar de enige functie van het object nog zijn functie/teken is. De dingen zijn binnen dit systeem objecten geworden, dat wil zeggen dat alle objecten nu noodzakelijker wijze een bepaalde betekenis en vorm hebben. Ze zijn opgenomen in een tekenlogica “The System of Objects”. Hierbij is er is sprake van een universele semantisering van de omgeving. Alles wordt onderworpen aan een berekening van zijn functie en betekenis.

Baudrillard legt in dit proces een direct verband tussen de ontwikkeling van het functionalisme en het kapitalisme. Zoals bij het kapitalisme door ratio¬nele productieberekening de koopwaar wordt onderworpen aan het systeem van de ruilwaarde, zo wordt in de laatkapitalistische maatschappij het teken ingepast in een systeem van rationele betekenisberekening. Binnen deze laatkapitalistische maatschappij worden alle oprechte menselijke faculteiten (behoeften, gevoelens, cultuur en kennis) als handelswaar geïntegreerd in de orde van productie. Ze nemen een materiële vorm aan zodat ze kunnen worden verkocht. Op eenzelfde manier worden alle verlangen, passies en relaties abstract gemaakt (of gematerialiseerd) als tekens en als objecten om te worden gekocht en te worden geconsumeerd.

Het systeem van rationele betekenisberekening komt voort uit het functionalistisch denken, dat een conceptuele scheiding aan brengt tussen betekenaar (vorm) en betekende (functie). Door deze scheiding wordt een manipulatie van de vorm, van de functie en van hun associatie mogelijk. Dit nieuwe verband tussen vorm en functie wordt voorgesteld als vanzelfsprekend. Het kapitalisme is gebaseerd op een scheiding tussen ruilwaar en gebruikswaarde die volgens eenzelfde logica plaats vind (ruilwaarde is de prijs in geld die men voor een bepaald goed krijgt, gebruikswaarde is het effectieve nut van bet goed). Kenmerkend voor onze consumptie maatschappij is dat deze waarden totaal uit balans zijn. Dit is het gevolg van de systematische manipulatie van ruilwaarde en gebruikswaarde. Een van de middelen die daartoe wordt ingezet is reclame.

Baudrillard beschrijft hoe het systeem van objecten verder in zijn werk gaat en uiteindelijk het functionalisme overtreft. Doordat denotatie van vorm naar functie als eenduidig wordt beschouwd worden de primaire functies van objecten abstract gemaakt in hun vormgeving, waardoor het tekens worden. Die tekens vormen een nieuwe taal, waarin alle voorgaande betekenissen (primaire functies, instinctieve driften, symbolische relaties) kunnen worden opgenomen. Allerlei psychologische redenen kunnen ten grondslag liggen aan deze nieuwe betekenis als teken, te denken valt aan seksualiteit, jaloezie en perversie. Hiermee kunnen verschillende verschijnselen binnen het systeem van objecten worden verklaard; mode, status, personalisatie, drang tot verzamelen, automatisering. Al deze psychologische factoren worden manipulatief ingezet ter ondersteuning van ons economisch apparaat. Hierdoor wordt de zuivere lijn van het functionalisme steeds meer bedolven.

Als voorbeeld wil ik hier de fragiliteit van objecten en het kapot gaan noemen wat door Baudrillaard nauwkeurig in kaart is gebracht: In de eerste plaats presenteren objecten zich als geruststellend, als factoren van evenwicht (hoewel van neurotische aard), maar uiteindelijk resulteren ze in een continue desillusie. De ondergang van het object met bijhorende betekenis regeert de productie en het technologische project. De disfunctionaliteit van het object, zijn tegengesteld doel, heeft twee grondslagen, namelijk een socio-economisch systeem van productie en een psychologisch systeem van projectie. Het is de wisselwerking tussen beide die ons interesseert. De mythe van het ononderbroken technologische proces gaat gepaard met een continue morele achteruitgang van de mens. Het huidig productie systeem dat het echte technologisch proces zou moeten bevorderen werkt dit op hetzelfde moment tegen evenals de herstructurering van sociale relaties.

Uiteindelijk stort het hele theoretische bouwwerk van het functionalisme in elkaar ten gunste van mode. Functionalisme slaat om in design. Baudrillard ziet dit als de triomf van de politieke economie van het teken: mode is immers niets anders dan de vervoltrekking van de logica van het teken, waarbij de willekeur van de verhouding tussen betekenaar en betekende vanaf het begin wordt voorondersteld en vervolgens ten volle benut. Mode is de basis voor consumptie.

Baudrillard beschrijft consumptie als een actieve relatie, die betrekking heeft op objecten, de maatschappij en de gehele wereld. Consumeren wordt gezien als een systematische activiteit waarop onze hele cultuur is gebaseerd. Het is de samenhangende voordracht van alle objecten en boodschappen. De basis van consumptie is het systematisch manipuleren van tekens. Om een consumptie object te worden is het noodzakelijk dat het object een teken wordt. Het consumptieobject krijgt zijn betekenis door een abstracte en systematische relatie ten opzichte van alle andere objecten. Alleen in die context kan het worden depersonaliseert. Het kan deel worden van een serie en zodoende worden geconsumeerd, niet in zijn materialiteit, maar in zijn verschil. De rol die objecten kunnen vervullen binnen de consumptie maatschappij wordt verder uiteengezet door Perec in zijn roman “Les Choses” . Hij schetst daarin een indrukwekkend beeld van de illusies en wanhoop waar consumptie toe kan leiden.

George Perec “Les Choses”
Perec beschrijft in “A story of the sixties” duidelijk de menselijke obsessie met het object en de gevolgen er van. Het verhaal gaat over een koppel van wie de objectieve bestaansreden het consumeren van objecten is geworden, nadat ze hun studie niet af hebben gemaakt en het werkende leven waren begonnen als marketeers.

In de beschrijvingen van de materie die hen omringt, wordt duidelijk hoe alle objecten van hun symbolische waarde worden ontdaan en alleen nog als tekens functioneren. Ze zijn abstract in hun verschillen, in hun manier van referentiëren. De objecten combineren met elkaar doordat ze abstract zijn. We zijn hier zonder twijfel beland in het rijk van consumptie.

Later wordt duidelijk hoe een systeem van dergelijke tekenobjecten functioneert.
De objecten om hun heen omschrijven eigenlijk niet hun relatie, maar de leegte in die relatie. Het is alleen het idee van relatie dat als het ware in deze objecten wordt geconsumeerd. De consumptie kan worden gedefinieerd als idealistische systematische praktijk, die alle relaties, geschiedenis, communicatie en cultuur te boven gaat. De consumptiegoederen vormen een idealistische taal van tekens. Hun wil om te leven komt alleen nog tot uiting in een telkens terugkerende materialiteit.

Na verloop van tijd worden al hun projecten vervangen door objecten. Het is niet zo dat de projecten zijn verdwenen, maar het is de vervulling in de vorm van een teken dat als bevredigend genoeg wordt ervaren. Het wordt duidelijk dat consumptiegoed zodoende de precieze vorm van de zelfvernietiging van het project.

Er zijn geen grenzen aan consumptie: als consumptie een proces van absorptie of verslinden zou zijn, dan zou een verzadigingspunt van zelf worden bereikt. Als consumptie gebaseerd zou zijn op behoeften, dan zou bevrediging op moeten treden. Het wordt duidelijk dat dit niet gebeurd, mensen willen steeds meer en meer consumeren.

Discussie
Het functionalistisch denken dat ten grondslag ligt aan architectuurstromingen zoals het Bauhaus, de Stijl en het minimalisme wordt aan het wankelen gebracht door onderstaande literatuurlijst. In “An Archeologie of Socialism” wordt vooral het totaliserende effect van de ideologie bekritiseerd. Baudrillard laat in “The System of Objects” zien hoe het functionalistische denken zich verder heeft ontwikkeld tot de consumptiemaatschappij waarin wij nu leven. Ten slotte wordt in Perec zijn werk “Les Choses” hoe objecten levenslust, activiteiten en projecten evenals de relaties tussen mensen kunnen vervangen.

De vraag is nu of we hierdoor het functionalistisch denken als achterhaald en politiek verkeerd moeten beschouwen, of dat het misschien in het verleden verkeerd is geïnterpreteerd of uitgewerkt ? Nog belangrijker is wat de gevolgen van deze discussie voor de eigen ontwerphouding zijn?

Het modernisme, waaraan de functionalistische gedachte ten grondslag ligt, is in de architectuurtheorie een van de meest bediscussieerde stromingen. In het boek “Dat is architectuur worden in het hoofdstuk “Het functionalisme en zijn schaduw” de oorspronkelijke uitgangspunten van het modernisme en de kritiek die daarop in kaart gebracht.

In het functionalistische gedachtegoed van het Modernisme komen vier ideeën met enigszins verschillende achtergrond samen. Ten eerste de gedachte dat een vorm zo nauwkeurig mogelijk aangepast moet zijn aan een functie. Ten tweede de overtuiging dat elke verspilling uit den boze is. Ten derde de opvatting dat het perfectioneren van de vorm leidt tot betere werktuigen en ten vierde de gedachte dat architectuur op die manier een effectief werktuig kan zijn ten dienste van maatschappelijke veranderingen.

De kritiek die er op volgt is tweezijdig. Zowel het gedachtegoed als de uitwerking ervan worden op verschillende wijze bekritiseerd. Voorstanders van het sociale gedachtegoed bekritiseerden de uitwerking, die volgens hen te formalistische was om daadwerkelijk de vooruitstrevende maatschappelijke veranderingen te realiseren.
Tegenstanders van het gedachtengoed bekritiseerden het maatschappelijk streven en sommigen waren van mening dat het functionalisme niet aan de ware behoeften van de mens beantwoord. Anderen hebben hoofdzakelijk problemen met de semantische waarde van architectuur binnen het functionalisme (zo ook Baudrillard en Buchli). Zij verwerpen de achterliggende structuralistische filosofie.

Kritiek op het structuralisme was dat het maar één onderwerp had, namelijk het onderwerp van het onderzoek zelf. Dingen worden getransformeerd in concepten (een ander niveau van abstractie) en het onderwerp kan nooit een concept worden (hij spreekt en reageert). Conceptuele betekenis is echter persoonlijk, het omvat altijd een vraag, een adres, het anticiperen op reactie, en het vereist twee (als minimum voor een dialoog). Persoonlijkheid is niet psychologisch, maar semantisch.

Conclusie
De relatie tussen betekenaar en betekende is hier een veelvuldig terugkerend onderwerp. Persoonlijk sluit ik in aan bij de postmodernistische kritiek die Baudrillard en Buchli uiten op het gesuggereerde rechtlijnige verband tussen vorm en functie. Natuurlijk kan een functie door meerdere vormen worden gevormd en kan een vorm meerdere functies vertegenwoordigen. Daarnaast bestaat er geen eenduidige waarheid van het object en is de denotatie (aanduiding) nooit meer dan de mooiste van de connotaties (gevoelswaarde). Maar als we de denotatie van vorm naar functie nu als de mooiste van de connotaties beschouwen, dan moeten we in die zin het streven van het functionalisme om vorm en functie overeen te laten komen toch aanmoedigen?

Als we de architectonische taal als veelzijdig, als subjectief, als relatief, als afhankelijk van subject plaats en tijd beschouwen, dan blijft het functionalisme (zonder zijn totalitair maatschappelijk streven en zonder het verwerpen van connotatie en zijn structuralistische gedachte) toch nog steeds als architectuurtaal overeind staan?

In onze huidige consumptiemaatschappij waar zelfs gebouwen als objecten worden gezien “een beetje stad heeft wel een Libeskind of Koolhaas”, hoeft men niet te verwachten de maatschappij op macro niveau te beïnvloeden. Maar is architectuur niet het materialiseren van relaties; relaties tussen mensen, tussen mens en gebouw, tussen mens en omgeving en tussen gebouw en omgeving? Naar mijn mening kan door het afstemmen van deze relaties op micro niveau wel degelijk een sociaal gebouw worden gerealiseerd waarin communicatie over en weer tussen mensen wordt gestimuleerd. Vertigo is hier een goed voorbeeld van; door verplichte routing en veelvuldig visueel contact tussen ruimten, is men continu op de hoogte van de bezigheden van anderen en wordt communicatie over en weer gestimuleerd.

De functionalistische insteek het gebouw zonder ornamentuur te realiseren is eveneens veel bediscussieerd. In onze maatschappij met zijn berekenende economie moet naar mijn mening decoratie weer worden gewaardeerd, het is iets extra’s. In eerste instantie is het optimaal verwezenlijken van het programma, rekening houdend met de vele onderlinge relaties, prioriteit. Decoratie kan hier echter ook aan bijdragen en functioneel zijn, denk hierbij aan de relatie tussen omgeving (zonnewarmte) en de groene belijning op de gevel van Vertigo. Decoratie is dus niet uit den boze en is in mijn visie inpasbaar binnen het functionalisme.

Een ander belangrijk punt binnen het functionalisme is het vertalen van functie naar vorm. Het programma van eisen is de beschrijving van de ruimtelijke dimensies, ruimtelijke verhoudingen en andere fysieke voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een gebouw geschikt te maken voor de uitoefening van specifieke functies. Uit het programma alleen is echter geen vorm af te leiden. Er bestaat geen theoretische consensus over hoe het programma zich vertaald in vorm. Een punt van kritiek op het functionalisme is dan ook dat een architecturale taal ontbreekt. Hier ben ik het gedeeltelijk mee eens; er zal altijd naar een optimum moeten worden gestreefd in de vertaling van vorm naar functie en er zullen altijd concessies moeten worden gedaan, een rode draad is hierbij essentieel. Het streven binnen het functionalisme om met een minimum aan middelen optimaal aan het programma te voldoen is in mijn architectonische visie correct.

De vormgevingsprincipes van Bauhaus, Stijl en Minimalisme, waarbij met zo min mogelijk middelen optimaal aan de functie wordt voldaan, rekening houdend met aspecten zoals massa, vlakken, ruimte, proporties, ritme enzovoort, om het geheel tot een uitgebalanceerd geheel te brengen, is naar mijn mening de basis voor de bouwkunst tot op heden. Het is een architectonische taal.

De rode draad die beslist waar concessies moeten worden gedaan en welke functionele aspecten voorrang krijgen in het ontwerp en wanneer er bijvoorbeeld wel of geen decoratieve elementen gewenst zijn is per situatie verschillend. Daarom is het zo goed dat binnen de opleiding bouwkunde conceptvorming een belangrijke rol speelt, naast het ontwikkelen van een eigen taal.


Bibliografie

"Dat is Architectuur, sleutelteksten uit de twintigste eeuw" redactie Hilde Heynen, Andre Loeckx, Lieven de Cauter, Karina van Herck, uitgeverij 010, Rotterdam 2001

"The system of objects" geschreven door Jean Baudrillard, vertaald door James Benedics en gepubliceerd door Verso London New York 1996

"A story of the Sixties and a Man Asleep" geschreven door Georges Perec, vertaald door David Bellos and Andrew Leak en gepubliceerd door David R. Godine Boston 1990

“An Archaeology of socialism” geschreven door Victor Buchli en gepubliceerd door Berg Editorial Offices in 1999.

Reageren? Eerst inloggen of aanmelden. Klik hier om aan te melden
vacatures
we zoeken naar enkele columnisten en redactieleden, heb je interesse? lees verder
random artikel
reclame
Stichting Eindhovenseschool.net - Kvk Oost-Brabant 17169485 - contact [email] - poweredby © e107.org - implementation by © evanderfeesten.nl
all content is © their respective owners - Our news can be syndicated by using these rss feeds: rss1 - rss2 - rdf
Render time: 4.6227 second(s); 4.4056 of that for queries.