Stichting Eindhovenseschool.net geeft een zichtbaar en inhoudelijk gezicht aan architectuur, design en aanverwante disciplines in regio Eindhoven. Het streeft naar een herkenbaar en inzichtelijk archief van onder andere gebouwde projecten en theoretische verkenningen. Het is het centrale netwerk waar architecten en andere vormgevers zich kunnen voorstellen en presenteren en slaat een brug tussen studenten, de beroepspraktijk en geïnteresseerden.
Dutch Dressing
Woningbouw met een pro-fashion-eel sausje.
door Jan Westra auteurslijst op zaterdag 18 maart 2006 e-mailen van het content onderwerp afdrukken van het content onderwerp reacties: 0 hits: 3689
 8.0 - 1 stem -









Dutch
Professionals hebben altijd een oogje op de woningbouw in Nederland gehad. Zij wisten beter dan wie dan ook hoe het volk zou moeten worden gehuisvest. Zij stelden daarbij verschillende zaken aan de orde; in deze bijdrage worden die paarsgewijs gevolgd.

Zij bekommerden zich om de industriële verworvenheden, zodat het individu meer vrijheid zou krijgen. Zij duiden op voor bewoners vaak onbegrepen prestaties die de woning nu en op termijn zou moeten leveren. Zij plaatsten de woningbouw zwierig in de markt met modieuze verwijzingen naar omstandigheden die erop duiden dat de bewoners het gemaakt hebben.

Zij waren overtuigd dat het vakgebied een prestigieuze plaats zou innemen, zodat het kon wedijveren met de echte architectuur van de belangrijke bouwwerken. Natuurlijk begrijpen we dat we niet allemaal zo kunnen wonen als de koningin van het land of de directeur van de multi-national, maar de projectontwikkelaars en architecten van tegenwoordig hebben een antwoord dat zich in retro of leisure termen laat vertalen tot een geslaagd bestaan. Wij leven wat dat betreft in een verknipte tijd van speed en onbenul, waarin het streven voor succes wordt gevoed door de commercie die heeft ontdekt dat eenvoudige bewoners (ook in deze tijd) voor fantasy islands willen gaan.

Teruggetrokken in hun enclaves zouden ze Jan Jans moeten lezen. Ik gebruik hem als incentive, omdat hij toen al in opstand kwam tegen het dictaat van de grootmacht, het geld, de autoriteit en vooral tegen het resultaat waarop de gemeenschap werd getrakteerd.

Wat spreekt uit het bouwkunstig aspect van ons land?

In de eerste plaats: alle bouwkunstige vormen zijn verloren gegaan. Wij hebben voor geen enkel gebouw vaste typen, zoals het verleden die kende.

Ten tweede: alle gevoel voor gemeenschap is in de bouwkunst verloren gegaan.

Ieder bouwt voor zich en de duivel voor ons allen.

Ten derde: onze magistraten steken bijna geen hand of de verkeerde hand uit, om hierin verbetering te brengen. Zij willen niet, kunnen niet of durven niet of handelen op eigen houtje verkeerd.

Jan Jans (1934)

Jan Jans is een mopperaar. Hij ziet met lede ogen dat de bouwkunst wordt verkwanseld. Er is geen houvast, geen traditie, geen collectief streven: ze doen maar wat en wel ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Jans reed op een motorfiets door het land om de plaatsen te zoeken die nog niet bedorven waren en die als voorbeeld zouden kunnen dienen voor de schoonheidscommissies van die tijd. Jans reed toen al tegen de ontwikkeling in. Een ontwikkeling die de rijkdom van de eenheid van bouwkunst en cultuur negeert. Tegenwoordig etaleren we de huidige ontwikkeling op meerslachtige wijze. Ik had ook kunnen schrijven op neerslachtige wijze. Althans voor de fijnproevers, de deskundigen. Zij fulmineren tegen het aanbod dat zoveel gebruikers aanspreekt. Zij wijzen op de kastelen die ze gedrochten noemen en raken gefrustreerd bij de aanblik van middeleeuwse of andere thematische woningbouw. De deskundigen hebben zo vaak gepleit voor alternatieven in de woningbouw strijdend tegen het doekje voor het bloeden dat als behang om het project wordt gehangen, waarin de hokken huizen die woningen worden genoemd. De markt blijkt evenwel sterker, de pogingen uit het verleden ten spijt. Het is zeker onder de noemer het nieuwe bewonennoodzakelijk een bijdrage aan te treffen die onder andere stoelt op wat er bedacht is met betrekking tot het wonen, het nieuwe wonen, het andere wonen, het slimme wonen, het wilde wonen of welk wonen ook.

Voor degene die het wereldje en het onderwerp redelijk kent zijn er dan ook nauwelijks onverwachte of vernieuwende gezichtspunten. Het blijft een ongrijpbaar thema dat zich wel op het niveau van de deskundige laat ontleden in vakmatigheden, maar zich niet laat vangen in wetmatigheden. De trends worden geduid, gevolgd of becommentarieerd, maar ze worden niet in een perspectief geplaatst. Noch georiënteerd op het verleden, waarin steeds opnieuw deskundigen hun licht hebben laten schijnen over de eigenaardigheden van de bouw, noch geprojecteerd op de toekomst [Westra, 1990]. Het is opvallend hoe weinig er wordt gerefereerd, terwijl het toch 'zaken' betreft die regelmatig in EZ-verband of in andere stromen meedrijven en in rapporten worden neergeslagen. In het kader van dit STT initiatief mag daaraan niet voorbij gegaan worden. Net zo min als aan de recente geschiedenis van de rationalisering van de bouwwijze waar zeker SAR, Open Bouwen, Modulaire Coördinatie, Drager Inbouw, KZS, HSB, Montage Kozijnen en naar keuze talloze andere voorbeelden zouden kunnen worden genoemd op weg naar een doelmatig bouwen en wonen [Bromberg, 1945].

Individu en Industrialisatie
De jaren zestig begonnen met 'de mensen en de dragers'van Habraken, ze eindigden met de start van veelbelovende prototypen en proefwoningen van industriële giganten zoals Shell, Fokker en DSM. Ze gebruikten dezelfde woorden om de schrijnende nood met betrekking tot de door de staat gedicteerde woningbouw te onderbouwen. Mensen hadden niets te kiezen of te beslissen. Dat moest veranderen en wel door een hoge portie techniek die het eigen bedrijf goed uitkwam. De bouw was immers een groot veld waar de investering over duizenden producten kon worden terug verdiend. En niet onbelangrijk voor deze ondernemingen: de omzet was in vierkante meters, kilo's en stuks te bepalen. Op de achterkant van de sigarendoos ontstonden de eerste verkenningen. De bedrijven gingen er prat op dat ze met hun knowhow en volume op de bouwmarkt een groot succes zouden boeken. De woningbouw kende een aantal interessante experimenten die uit het streven van deze ondernemingen voortkwamen.

De Fokker-woning speelt in de eeuwige discussie over industrialisatie en flexibiliteit ( en avant la lettre: demonteerbaarheid) een belangrijke rol als referentie. Bij uitstek zelfs: de vliegtuigbouwer op de woningmarkt. Dan moet het wel goed komen. Industrieel, Flexibel, Demontabel ten voeten uit. Maar ook de industriële bouwer had de macht van de markt niet begrepen. In weerwil van de nu haast dociel ogende promotieactiviteiten kwam er slechts één proefwoning van de grond. Daarna ging het weer beter met de vliegtuigen en werd de bouwdroom opgegeven. Toen Fokker opnieuw in de problemen kwam en op dat moment boomingbusiness in de bouw aantrof, is de industriële bouwer niet opnieuw het avontuur aangegaan. De geschiedenis had geleerd dat je niet argeloos de bouwmarkt op kunt. Het is interessant dat de drager/inbouw visie waarin het collectieve (dragen) en het individuele (inbouw) niveau van zeggingskracht besloten lag, toen (1961) niet werd begrepen, nu wordt misbruikt voor andere doeleinden. De scheiding van de sferen betekende ook in technische zin een scheiding van de productie. Een bouwproductie voor de drager (het constante deel), een industriële productie met betrekking tot de inbouw (het variabele deel). De grens tussen deze twee begrippen is niet eenduidig te bepalen. Het constante deel is niet in zijn algemeenheid te benoemen. Blijkbaar kan men de opgave opvatten als een streven waarin een -beperkt- deel te variëren valt en een ander deel constant is. Het is per opgave, per bouwbedrijf, per locatie en zeker per doelgroep anders. Deze opvatting over het collectief (dat het constante deel bepaalt) en individu (dat op handige wijze het variabele deel regelt) leeft opnieuw bij onder andere moderne woningbouwverenigingen.

In het rapport "Technologische en Structurele ontwikkelingen in de bouw" [SBR,1980] worden de meningen van vele experts wetenschappelijk gemanipuleerd. Met 1975 als referentie wordt voor 1990 voorspeld dat

• de drager/inbouw aanpak 15% van de totale omzet zal bedragen
• open systemen, modulaire coördinatie en automatisch ontwerpen gemeen goed zullen zijn,
• nieuwe verwarmingssystemen en warm-watersystemen de markt zullen veroveren.

Ook de andere minder significante uitkomsten zijn een terugblik waard, zeker nu ons heden al 14 jaar verder ligt dan die toekomst.

De uitkomst van deze manipulatie zou ik willen omschrijven als de vervulde wens van de höfische gedachte. Het is de intellectuele, professionele bovenlaag die de waardeoordelen uitspreekt en die zich daarbij slechts heeft te verantwoorden in zijn eigen kring. De dialoog over wat goed en slecht is vindt hier plaats tussen vakmensen en zij behoeven slechts elkaar te overtuigen. De spelregels worden ontwikkeld in dezelfde kring die ook toeziet op de uitvoering. Verschillende bouwwijzen worden verbonden aan een economisch klimaat. De gevarieerde massabouw gedijt in een sterk economisch klimaat, de kleinschalige bouwwijze in een sober klimaat, de fabrieksbouw in een sterk klimaat en alleen de op de drager/inbouwgebaseerde open bouwmethode floreert in zowel een sober als een chaotisch klimaat. Het zou voor de organisatoren van toekomstige initiatieven interessant kunnen zijn als de meningen die in deze exercitie 'het nieuwe bewonen' worden gegeven op dezelfde wijze kunnen worden gemanipuleerd. Het zou wellicht eindelijk de rol van de productie en de daarmee samenhangende prestatie van de woning kunnen verhelderen.

Productie en Prestatie
De bouw is niet gevoelig voor rapporten en publicaties. Er wordt behoudens in wetenschappelijke en adviserende kringen niet gelezen. Dat lijkt me verklaarbaar. Slechts enkele bedrijven kunnen zich van de sleur van de volgende opgave losmaken en tijd en geld steken in reflectie en onderzoek. De praktijk is immers hard. Gangbare bouwstromen kunnen niet worden onderbroken. Nieuwe technieken komen alleen in aanmerking indien een gunstig effect ten aanzien van de productiviteit kan worden aangetoond. Experimenten zijn prachtig, maar alleen door anderen. De garantieregelingen zijn afgestemd op bekende bouwtechnieken. Proefnemingen en proefproducties ter ondersteuning van technologische ontwikkelingen zoals in de biologie, chemie, vliegtuigbouw en in de landbouw komen in de bouw op dit continent zelden meer voor. De traditionele bouw zoals wij die kennen is het resultaat van de technische ontwikkeling en van de discontinuïteit in de productiestroom waarin bouwwerken nu eenmaal worden voortgebracht. In die structuur komen bouwwerken van uiteenlopende aard tot stand door het samenspel van een aantal bedrijven die ieder zijn ingesteld op een geleding van het totale proces. Vroeger haalde men de schouders op als een of andere alternatieveling probeerde met bouten en moeren een en ander te bewerkstelligen, of wanneer de ontwerper vertelde dat de ruimten niet voorbestemd maar onbestemd waren of wanneer de architect zijn eigen huis uitvoerde als betrof het een koelwagen. Het was voor velen vechten tegen de bierkaai. Het circus bouwde ondertussen rustig voort.

Maar nu wordt hier en daar de toekomst opnieuw gepredikt. De aanpasbare woning, het volgende huis van de toekomst, een volledig doe het zelf pakket voor het variabele deel, ze vallen in oude schoenendozen uit de kast. Smart homes zullen er komen twintig jaar nadat Xanadu als huis van de toekomst in 'blob'vorm tegenover Disneypark in Florida werd geopend. Het is de voltooid verleden tijd die ons aan staart.

Wekt dat hoop, onrust of berusting?

Het hangt er vanaf vanuit welk perspectief de ontwikkeling wordt bezien. De grote ontwikkelingen als ze er al zijn schuilen in kleine projecten en onderdelen. Het zijn eigenwijze ontwerpers die een prestatie proberen te leveren die niet op basis van de standaard receptuur tot stand komt. Ze zijn niet erg bekend en zeker niet erg geliefd, maar over twintig jaar zullen ze zeggen dat het nog niet zo'n gek idee was. 'Zijn tijd ver vooruit'.

Het bouwkundig product zou als een volwassen product moeten worden geadverteerd indien het rijp zou zijn om onder de categorie industriële producten te worden gerangschikt. Maar in tegenstelling tot industriële producten vindt geen warenvergelijking plaats, noch worden de prestaties in verifieerbare termen geleverd. Simpele informatie over levensduur, onderhoud, bediening, toekomstige opties en accessoires, inruilpremies ontbreekt. Wel worden de objectgebonden statusverhogende attributen opgehemeld zoals voordeuren, vloerbedekking, ligging èn niet te vergeten de traditionele bouwwijze. Terwijl gebruiksgoederen worden aangeprezen om wat je er mee kunt, worden bouwwerken aangeprezen om wie je er mee bent. Wanneer we in staat zouden zijn bouwwerken in prestatiepatronen te omschrijven, te toetsen en uit te dragen zal dat leiden tot nieuwe sociale en dús tot technische concepten. Maar zo ver is het nog lang niet. En de vraag is of het ooit zo ver komt. Want de hamvraag luidt of de woonconsument eigenlijk wel geïnteresseerd is in het nieuwe bewonen dat mogelijkerwijs zou stoelen op prestaties die voortkomen uit tegenwoordige en toekomstige technologische ontwikkelingen. De consument woont het liefst in een sprookje. Om gezien en erkend te worden

Ontwerpers en industrie hebben keer op keer geprobeerd de strijd aan te gaan door met vrij rigoureuze voorstellen de markt te bewerken, maar afgezien van een enkele poging in een zeer behoeftige periode zijn de meeste aanzetten na korte tijd verdwenen. De Japanse systeembouwers hebben het dilemma van de ver doorgevoerde oplossing goed aangevoeld. Zij hebben op een weinig elegante maar zeer effectieve wijze de moderne technologie van de uitrusting van de woning gecombineerd met een consument gerichte verpakking. Achter de vermomming spelen moderne materialen en hoogwaardige vervaardigingstechnieken een onherkenbare hoofdrol. Het Japanse huis is geen opzichtige wervel waarin de bewoners naar hartelust kunnen experimenteren met de ingebouwde flexibiliteit of demonteerbaarheid. Het is ook niet zo dat het huis kan worden vergroot bij verwacht bezoek of kan worden ingekrompen tijdens afwezigheid of dat het kan worden omgetoverd van een zomer- in een winterstand. Het doet wat het moet doen, het kost wat is beloofd, het kent een garantie- en onderhoudsperiode en het valt niet op. Elke onderneming heeft een eigen invalshoek met betrekking tot materiaalgebruik en productie. Meestal een stalen frame bekleed met klantvriendelijk (welke stijl had u gewenst) behang, uitgerust met slimme accessoires die het technisch niveau van de woning verhogen [de Jong, 1984].

Daarnaast komen enkele voor ons ongebruikelijke oplossingen voor die tot nadenken stemmen. De koele opslag of vrieskist onder de vloer van de keuken, toegankelijk gemaakt met slimme luiken; het toilet met geïntegreerd fonteintje in de spoelbak; het integrale stofzuigersysteem etc. Het woningtype ligt besloten in het aantal eenheden of modulen en in de toevoegingen (erkers, dakkapellen) en daardoor is het onderscheid tussen de verschillende fabrikaten minimaal. Het lijkt alsof de wijze van wonen bij voorbaat vast ligt en dat de markt wordt bewerkt met toeters en bellen. Wanneer je echte industriële producten daarmee vergelijkt dan blijkt dà t een typisch kenmerk: de werking is vastgelegd of genormeerd, de variatie schuilt in de uitrusting, het prestatieniveau en de vormgeving. Ondertussen lijkt een spraakmakend gedeelte van de woningbouwproductie overgeleverd te worden aan het omgekeerde: wonen in een sprookje uit het verleden, met de spulletjes van vandaag.

Markt en Mode
De huidige productie ten behoeve van de huisvesting van mensen die moeten, willen of kunnen houdt grossomodo geen rekening met de aanleiding tot de vraag. Het lijkt of de vraag zelf er niet meer toe doet. Ontwikkelaars zijn in toenemende mate partijen die zich hebben verlustigd in het eigen sprookje dat vervolgens met verve en met succes in de markt wordt gezet. Je woont niet meer in een product van deze tijd, je leeft in wereld die zich de verworven waarden van het verleden heeft toegeëigend en het comfort van vandaag erbij levert. 's Avonds rijd je terug over strak geasfalteerde wegen naar de hobbelkeitjes van je historisch woonerf waar de pizza' s uit de magnetron worden getoverd als avondmaal, terwijl de brochure destijds nog even deed veronderstellen dat je eerst het bos in gedreven zou worden om de ganzen of konijnen in pofbroek te moeten afschieten.

De commercie is genadeloos.

De rijtjeswoning met slimme attributen en voor de doelgroep toegeleverde features maakt een architectonisch concept met betrekking tot wonen overbodig of liever obsolete. De eeuwige vraag wordt ondubbelzinnig beantwoord: wie ben ik als ik hier wonen kan? Niet vergelijkbaar met het antwoord op de vraag wie ben je dat je hier wonen wilt.

De HumanHaving versus the HumanBeing. Het is wat mij betreft een oud thema dat ik steeds maar weer in de strijd werp: als wonen in Heidegger termen gelijk staat met bouwen in de oer contaminatie van bowan dan zouden de huidige ontwikkelingen in die zin kunnen worden vertaald in termen die het sprookje ontdoen van zijn glorie of de fantasy-world laten voor wat het is: het ultieme wapen tegen de uitgedroogde professionele vertaling van het programma in de Vinex-wijken. Het zijn de Pro-fashionals die zich zonder scrupule opwerpen voor een huisvesting die de doelgroep op een buitengewone wijze accommoderen met betrekking tot hun stoutste dromen. Wonen in een echte stad of in een haast echt kasteel met twee parkeerplaatsen voor de deur en een Albert Heijn in de achtertuin wie wil dat niet. Vier jaar geleden meldt de staatsecretaris dat we ruimer en rianter moeten bestemmen en ook vooral aandacht moeten schenken aan het hogere segment in de markt. Kwaliteits-denken. Riante villa's zullen deel uitmaken van de toekomstige bouwopgave. Daar waar ze gerealiseerd zijn kun je waarnemen dat de bewoners gaan voor datgene waar bewoners in algemene zin altijd voor gaan: hier woon ik! Het is echter een kleine groep bewoners die dat kunnen doen. En dat betekent wellicht ook geen werk voor architecten, getuige een onderzoek van de stichting Eigen Woning, dat concludeert dat pas ver boven een miljoen gulden het zin heeft om een architect in te schakelen, daaronder heb je er alleen maar last van. Anderen zijn aangewezen op wat de markt hen biedt. Al dan niet in Vinex locaties worden zij het slachtoffer van de 'staatsarchitectuur' die het aanbod terroriseert Carel Weeber bekritiseert deze regie van de staat. Zijn pleidooi in de NRC tegen de Staatsarchitectuur die met opgelegde regels de burgers in keurslijven perst onder het motto 'Wild Wonen' heeft merkwaardig genoeg in bepaalde geledingen veel indruk gemaakt, of misschien moeten we dit anders formuleren: heeft voor bepaalde partijen veel mogelijk gemaakt [Weeber, 1997]. In onderhoudende zin zeer zeker, maar ook bij bestuurders die erop uit zijn in hun gemeente naast alle Italiaanse, Franse en Friese wijkjes ook een Wild Wonen wijkje te bezorgen. Zijn pleidooi voor eigen initiatief wordt in beeld gebracht op volkstuincomplexen en campings waar het alternatief voor gedwongen huisvesting wordt gedemonstreerd. De NRC lijkt in deze de krant te zijn die het thema wonen of gewoond worden op de voet volgt. Recentelijk nog met het artikel 'Bouw een hut' [Hofland, 2004], waarin het spoor zelfs teruggevoerd wordt naar Drop City uit de jaren zestig. De renaissance van de eigen huizenbouw wordt in het artikel geïllustreerd met een foto van de bouw van een hut voor het stamhoofd op een van de Samoa-eilanden in 1903. Hofland zou eens in Brabant een tour moeten maken door de gewone wijken waar dag en nacht wordt gewerkt aan het tussentype: wel aan de regels voldaan, maar zelf gebouwd. Of het meest ultieme wijkje dat ik ken Franciscanerborgh in de gemeente Rosmalen: bewoners bouwen zelf en ieder op eigen wijze. Wordt niet herhaald wegens succes. De bewoners zijn over het algemeen enthousiast, de gemeente niet. De markt speelt in op deze ontwikkelingen die lijken te gaan naar meer mogelijkheden voor individuele opdrachtgevers. Het Wilde Wonen (WW) en de Hoogwaardige Huizen (HH) zouden wel eens een explosie in de vraag naar de Kant en Klaar (KK) bouwers kunnen betekenen [Westra, 2000]. Projectontwikkelaars springen mee, regionale kranten ijlen na en vervolgens biedt de markt niet meer dan indelingsvarianten die tegen verschillende prijzen kunnen worden betrokken. Maar de werkelijke ontwikkeling zit niet in het streven om wederom het verhaal te lanceren van de mondige en quasi kundige opdrachtgever. Het zijn de door volleerde architecten gedreven scenario's van wonen in een wondere wereld. Die wereld wordt bedacht als een omgeving waar het goed toeven is en waar de tegenwoordige tijd met zijn alledaagse beslommeringen geen vat op heeft. In Friesland wordt een verdronken stad aan het sompige wad onttrokken om herrezen als middeleeuwse nederzetting plaats te bieden aan bewoners die overdag wellicht met de modernste apparatuur hartoperaties uit voeren.

Brandevoort is een groot succes. De wijk die tegen Helmond aan ligt beantwoordt aan de wensen van de nieuwe bewoners. Zelfs al ken je de buren niet er is een saamhorigheidsgevoel, een verbondenheid. De wijk is herkenbaar op elke afstand. Professioneel slim opgezet. Hoge dichtheid wordt betaald door de stukken met de lagere dichtheid. Kindvriendelijke gedeelten die met eenvoudige attributen kunnen worden omgezet in gatedarea's. Als de grachten er eenmaal zijn komt er misschien wel een poort met een wachter. Achter de gevels is het wonen niet wezenlijk anders dan elders. Maar er is meer. Meer volume, meer vierkante meters, meer lichtpunten, meer vensters. Maar niet meer dan dat.

Dressing
In Nederland bouwen we met twee huiden. Een binnenjas voor het zware werk uit eenvoudig materiaal en een buitenjas voor de uitstraling in hoogwaardiger materiaal. Die uitstraling verhult veel. Dutchdressing. Wij zijn altijd een land van gevels geweest. Zij vormen de saus die de naargeestige onderkomens moeten verhullen. Woningbouw laat zich nog steeds omschrijven als verpakte hokken. Pro-fashionals hebben dat goed begrepen. Ze hebben van de verpakking hier en daar een feest gemaakt. Professionelen zouden in die zin veel van hun smaakmakende collega's kunnen leren.
Mijn pleidooi staat voor de productie die aan de ene kant prikkelt tot reactie, maar vooral ook tot intensief gebruik, aan de andere kant voor de mogelijkheid daar tot op zekere hoogte op in te kunnen grijpen. Het tijdsbeeld schuift daar onderdoor. "De IT-consultant die, gehuld in een krijtstreeppak, 's ochtends zijn neo-traditionalistische huis in het nieuwe vestingstadje Brandevoort verlaat en in zijn Chrysler PT Cruiser stapt, geeft weliswaar toe aan zijn verlangen naar de goede oude tijd, maar hij kan zich even goed een 'man van deze tijd' wanen" [Hulsman, 2004]. Mensen zijn gevoelig voor (geregisseerde) aandacht. Laten we dat niet vergeten! Zij die tegen verkleedpartijen zijn kunnen altijd een blokje omrijden.

Op dit moment verkeren wij in een impasse.

Het grootste deel van ons volk is drager van zeer minderwaardige begrippen over bouwkunst. Aangezien elk volk de regeerders heeft die het verdient, heeft ook het overgrote deel onzer autoriteiten geen begrip van den aard en den omvang van het bouwkunstig probleem. De eerste maatregelen zullen er dus op gericht moeten zijn ons volk bouwkunstig-cultureel tegen zichzelf en zijn politieke en geestelijke leidslieden te beschermen. De schoonheidscommissies zijn een eerste stap in die richting, maar niet de laatste. Zij betekenen een overgangsvorm met vele bezwaren. De meeste zijn te veel esthetische inquisitie, te weinig bouwkunstige opvoedingsinstituten, (die) in staat (zijn) een project te beoordelen vanuit een zeer gerijpt ruimtelijk besef. Echt bouwkunstig inzicht neemt nooit gevels als uitgangspunt. Gevelachitecten zijn geen architecten maar behangers. Driekwart van de Amsterdamse bouwkunst is knappe behangerskunst. Achter dit behang zijn de 'muizenissen' der eigen bouwerij.
Jan Jans

NOTEN
• J. Jans, Bouwkunst en Cultuur, Kleine Cultuurbibliotheek, N.V. Arbeiderspers, Amsterdam, 1934
• P. Bromberg, Doelmatig Bouwen en Wonen, Querido, New York, 1945
• SBR, Technologische en structurele ontwikkelingen in de Bouw, een toekomststudie, nr72, Kluwer/Ten Hagen, Deventer/Den Haag, 1980
• H. de Jong, J. Koning (red), Techniek in Bouw en Industrie, SBR 102, Rotterdam, 1984
• J. Westra (red), Tussen Traditie en Experiment, 010, Rotterdam, 1990
• C. Weeber, Het wilde wonen, interview NRC/CS Bernard Hulsman, Rotterdam, 4 april 1997
• J. Westra, het tontwerpen van architectuur, de architectuur van het ontwerpen, intreerede TU/e, 16 juni 2000
• H.J.A. Hofland, Bouw een hut!, NRC/CS, Rotterdam, 5 maart 2004
• B. Hulsman, Waarom moeilijk doen, als het ook retro kan?,NRC 53, Rotterdam, 12/13 juni, 2004

FOTOGRAFIE: Jan Westra
[1] Brandevoort: de overdekte plaats voor nostalgische gezelligheid
[2] Brandevoort: de achterterreinen zijn afgesloten tot kindvriendelijke afgesloten domeinen
[3] Brandevoort: individueel, herkenbaar, nostalgisch, stil, wezensvreemd, zeer gewild
[4] Brandevoort: geregisseerde gevels

atelier Dutch Dressing

Shelling, Stan Klerks
De Bloemenbuurt in tweede bloei, Jeroen Verest
Built to Last, Teun Spruijt


Reageren? Eerst inloggen of aanmelden. Klik hier om aan te melden
vacatures
we zoeken naar enkele columnisten en redactieleden, heb je interesse? lees verder
random artikel
reclame
Stichting Eindhovenseschool.net - Kvk Oost-Brabant 17169485 - contact [email] - poweredby © e107.org - implementation by © evanderfeesten.nl
all content is © their respective owners - Our news can be syndicated by using these rss feeds: rss1 - rss2 - rdf
Render time: 4.7367 second(s); 4.5021 of that for queries.